Falend Westen speelt Duitsland de zwartepiet toe; Wapenleveranties aan Bosnië kunnen slechts leiden tot oorlog zonder einde

Twee jaar duurt de Joegoslavische burgeroorlog nu en de situatie in wat eens het meest-ontwikkelde land in Oost-Europa was, verslechtert nog dagelijks. De nieuwe militaire samenwerking tussen Kroaten en Serviërs in Bosnië geeft voedsel aan het bij veel liberale commentatoren in ex-Joegoslavië bestaande vermoeden, dat deze twee partijen Bosnië-Herzegovina niet in drieën willen opdelen, zoals zij openlijk verklaren, maar in tweeën. Onder elkaar, wel te verstaan. Het laat zich raden waar zij de miljoenen moslims en anderen willen laten, voor wie in een Servisch-Kroatisch Bosnië geen plaats is.

Terwijl de drie oorlogspartijen in Bosnië-Herzegovina dus rustig doorgaan met de verwezenlijking van hun nationalistische doelstellingen - en passant de vredesmacht van de Verenigde Naties als doelwit nemend als het hen uitkomt en waar mogelijk internationale humanitaire organisaties hinderend als zij vertegenwoordigers van een andere partij willen bijstaan - ontspint zich in het Westen een curieus debat over de Westerse onmacht.

De overhaaste internationale erkenning van Kroatië en Slovenië, zo heet het uit veler mond, heeft veel kwaad gedaan en tot een escalatie van de conflicten geleid. Maar in plaats van de verantwoordelijkheden van de internationale gemeenschap te erkennen, wijzen de vertolkers van deze theorie, onder wie de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Warren Christopher, naar Duitsland, dat eind 1991 de Europese Gemeenschap onder druk heeft gezet, tot erkenning van Kroatië en Slovenië over te gaan. Vandaar was het nog maar een kleine stap naar de erkenning van Bosnië-Herzegovina, die in deze republiek min of meer het sein tot de burgeroorlog heeft gegeven.

In een artikel in de Amerikaanse Herald Tribune gaat de Duitse ambassadeur in Washington, Immo Stabreit, in de verdediging. De erkenning van Kroatië, betoogt hij, heeft de Servische president Slobodan Milosevic laten inzien dat hij zijn agressie tegen Kroatië moest staken, hetgeen in deze republiek tot een voorlopige vrede heeft geleid. In Bosnië-Herzegovina had hetzelfde effect kunnen optreden, betoogt de Duitse ambassadeur, als de internationale gemeenschap maar de consequenties uit de erkenning had getrokken en de grenzen van het land had verdedigd tegen de Servische agressie.

Op één punt heeft de ambassadeur gelijk: het is stuitend te zien hoe westerse landen nu het gevoel te hebben gefaald bij het voorkomen van de oorlog in ex-Joegoslavië, op Duitsland proberen af te wentelen. Maar zijn argumenten voor de principiële juistheid van de Duitse benadering zijn uitgesproken zwak. De erkenning van Kroatië heeft het probleem van de Servische minderheid eerder onoplosbaar gemaakt: de regering in Zagreb voelt zich gesterkt in haar gevoel van onvervreemdbaar recht op deze gebieden, voor de Servische partij is het erop of eronder om niet onder Kroatisch juk door te gaan. Hoe zinnig de erkenning van Kroatië is geweest zal blijken op de dag, dat voor de Servische minderheid daar een regeling zal worden getroffen en aan de semi-oorlogstoestand een einde komt. Tot nu toe zijn de inspanningen van beide partijen om door onderhandelingen tot zo'n regeling te geraken, niet indrukwekkend.

De argumentatie van de Duitse ambassadeur over Bosnië-Herzegovina is nog zwakker. Op het moment van erkenning had in zeker tweederde van deze republiek de door de internationale gemeenschap erkende regering in Sarajevo al helemaal niets meer te vertellen. In het noorden waren de Serviërs de baas, in het zuiden de Kroaten, die toen nog lippendienst bewezen aan Sarajevo maar geen andere doelstellingen hadden dan nu. Je vraagt je achteraf af wat toen niet alleen Duitsland, maar ook de rest van de wereld en met name ook de Verenigde Staten bewogen heeft, die erkenning uit te delen, zonder dat er ook maar een schijn van een oplossing was voor de staatkundige inrichting van Bosnië-Herzegovina. Het antwoord: een van de grotere misrekeningen van de Europese postcommunistische geschiedenis.

Wat met de erkenning van Kroatië en Bosnië-Herzegovina zeker is bereikt - Slovenië is een ander geval omdat daar tussen de conflictpartijen over de onafhankelijkheid van de republiek overeenstemming werd bereikt - is dat alle oorlogspartijen met een internationale interventie rekening zijn gaan houden. Het gevolg daarvan is zeker een escalatie geweest: voor de Serviërs omdat er geen enkel vooruitzicht op een compromis leek te bestaan, voor de regeringen in Zagreb en Sarajevo omdat zij immers op internationale interventie konden rekenen en zich daarom zeker waanden van de militaire overwinning.

De opstellers van het Handvest van de Verenigde Naties waren wijze lieden, toen zij vastlegden dat de internationale gemeenschap niet in een burgeroorlog mag interveniëren. Het aardige van het artikel van de Duitse ambassadeur is dat hij toegeeft dat het Duitse streven naar erkenning van de ex-Joegoslavische republieken een opzetje was, om internationale interventie juridisch mogelijk te maken. De politici in ex-Joegoslavië lijken echter de enigen die daar ooit echt in geloofd hebben: in Duitsland bestaan zoals bekend constitutionele bezwaren tegen het zenden van soldaten en ook het enthousiasme voor interventie in landen als Oostenrijk of Nederland wordt in evenwicht gehouden door de volstrekte onwil, voldoende kanonnenvoer uit eigen land de bergen van Bosnië in te sturen. Dat moeten andere landen, de Verenigde Staten vooral en Frankrijk en Engeland maar opknappen.

De schroom, de eigen jeugd op te offeren aan de consequenties van de diplomatie is alleszins begrijpelijk: er is geen enkele reden om te denken dat militair ingrijpen in ex-Joegoslavië daar tot een oplossing leidt, en er zijn veel redenen om te denken dat het tot eindeloos militair engagement zal leiden, en veel doden. Nu al, terwijl de vredesmacht zich met bovenmenselijke krachtsinspaning zich zoveel mogelijk buiten gevachtshandelingen houdt, is gerekend naar de sterkte in Kroatië en Bosnië-Herzegovina, elke vijftigste VN-soldaat gewond geraakt, en elke vijfhonderdste om het leven gekomen. De veelgehoorde opmerking dat slechts een soort Jan Salie-geest in het Westen de vrede in ex-Joegoslavië in de weg staat, is een voorbeeld van loze borrelpraat, mede gevoed door propaganda uit ex-Joegoslavië zelf en een zeer begrijpelijk gevoel van frustratie in de westerse publieke opinie, over zoveel geweld en ellende op onze drempel.

In plaats van elkaar demagogisch de schuld te geven, kunnen westerse politici en diplomaten misschien beter eens gaan nadenken over de vraag of en hoe conflicten als die in Joegoslavië ontstaan en of en hoe zij voorkomen hadden kunnen worden. Te lang heeft het Westen het nationale principe gekoesterd als een factor van desintegratie binnen het Sovjet-blok. Nu het nationalisme als negentiende-eeuws afdankertje verwoestingen aanricht onder de door de val van het communisme radeloze en onzekere volkeren in Oost-Europa, kijkt het Westen werkeloos toe.

Hoe de oorlogspartijen en potentiële oorlogspartijen door de internationale gemeenschap ertoe kunnen worden gebracht, voortaan hun conflicten op vreedzame wijze bij te leggen is natuurlijk een moeilijke vraag, de hamvraag in de geschiedenis mag je wel zeggen. Toch vallen uit het Joegoslavische verhaal al wel een paar lessen te trekken. Het is geen goed idee, zoals met de erkenning van twee instabiele Joegoslavische deelrepublieken gebeurde, kritiekloze en onvoorwaardelijke sympathie met een der oorlogspartijen uit te spreken. Het is bepaald een slecht idee, lichtzinnig oorlogspartijen de gedachte te geven dat er aan hun zijde zal worden gentervenieerd. Die vergissing wordt nu wéér begaan met de stationering van Amerikaanse troepen in Macedonië, die de Albanezen in Kosovo het gevoel geven dat het tijd is in opstand te komen.

Maar misschien moeten we, in al deze chaos, maar blij en tevreden zijn dat de grootste ramp op het gebied van buitenlandse betrokkenheid aan ons voorbij lijkt te gaan: de door Washington bepleite mogelijkheid, het wapenembargo voor de moslim-partij in Bosnië-Herzegovina op te heffen. Intellectueel gezien staat deze suggestie op één lijn, dat de misdaad in een westerse stad kan worden bestreden door de bevolking even zwaar te bewapenen als de misdadigers. Wie wil zien waar het sturen van wapens toe leidt, kan dat in Afghanistan zien: oorlog, eindeloos oorlog.