Een eeuw industriele vormgeving in het Grand Palais; Geen zucht maar een schreeuw

Op de design-tentoonstelling "Spiegel van een eeuw' in Parijs heerst de profane drukte van de betere vlooienmarkt. De bezoeker wandelt via een hellingbaan langs 1600 voorwerpen, begeleid door hoefgeklop, het gezoem van een stofzuiger en digitaal gebliep. De theepotten, machines, vulpennen en fauteuils laten de evolutie zien die onze materiële cultuur de afgelopen eeuw heeft doorgemaakt.

Design: Miroir d'un Siècle, t/m 25 juli in het Grand Palais, Ave. Winston Churchill, Parijs. Ma, wo en vr 11-20u, do tot 22u, za en zo 10-19u. Toegang FF 50, album FF 50, boek FF 320 (pap). of 450 (geb.), 384 blz.

De kermis begint al om de hoek van het Grand Palais, waar een lange rij wachtenden in de richting van de vliegtuigslurf schuifelt. Die steekt dwars door een kolossaal, hardblauw billboard waarop vier exemplaren van het zippy nieuwe stadsautootje van Renault, de Twingo, als Dinky-toys zijn vastgeniet. Eromheen zijn losse woorden geschreven - fax, velo, radiateur - die door hun onwaarschijnlijke formaat geen woorden meer zijn, maar zelf objecten zijn geworden. Achter deze tijdelijke façade, die het zicht beneemt op de anders zo kloeke entree van het Grand Palais, speelt zich de laatste uitspatting af van socialistische cultuurminister Jack Lang: "Design: Miroir d'un Siècle'. Deze spectaculaire tentoonstelling past bij zijn benadering van cultuur: geen zucht, maar een schreeuw.

De vliegtuigslurf voert naar een taps toelopende gang die met panelen akoestisch dempend materiaal in een naamloze kleur is bekleed, een gecapitonneerde cel waarin de zintuigen tijdelijk op nonactief worden gezet. Maar dan, net als Alice die via het konijnehol een andere, wondere wereld betreedt, sta ik middenin de enorme glazen hal, zes meter boven de grond op een kletterende stalen brug. Niet alleen de ruimte om me heen, maar ook het geluid explodeert: gierende straalmotoren vermengen zich met stampende machines, een flard van een aria drijft voorbij, in de verte fluit een locomotief.

De brug leidt op zijn beurt naar een hellingbaan die met zijn 180 meter nagenoeg het Grand Palais vult - een gebouw dat zelf een prachtige synthese is van kunst en industrie - en in een dertig meter hoge spiegel eindigt. Op de hellingbaan speelt zich de eigenlijke expositie af: een uitstalling van ongeveer 1600 voorwerpen, bruiklenen van dertien verschillende instellingen die variëren van theepotten tot auto's, vulpennen tot computers, vazen tot fauteuils. Alles tezamen laten ze de evolutie zien die onze materiële cultuur de afgelopen eeuw heeft doorgemaakt.

Hoewel het initiatief voor deze tentoonstelling van de overheid uitging, heeft Langs ministerie van cultuur naar verluidt niet meer dan twintig procent betaald van de kosten: 38 miljoen franc, zo'n 13 miljoen gulden. De rest kwam van sponsors, die op de begane grond van het Grand Palais even veel vierkante meters kregen toebedeeld als de tentoonstelling zelf. Swatch heeft de Italiaan Alessandro Mendini (ontwerper van het Groninger Museum) ingehuurd voor zijn stand, McDonalds legt een sentimental journey af door de allereerste vestiging uit 1953 na te bouwen, compleet met twee bogen in roze neon. Blijven er op de tentoonstelling veel vragen onbeantwoord over de veroveringen en verwordingen van onze cultuur in de loop van een eeuw, de plaats die de commercie zich heeft toegeëigend is glashelder.

Fabrieksmeisjes

De samenstellers, conservator Marianne Barzilay en ontwerper Sylvain Dubuisson, hebben hun best gedaan om al deze brocante te plaatsen in een bredere sociale en historische context. De tentoonstelling laat zich op twee manieren "lezen': in de lengte, met de chronologie mee, of in de breedte, als dwarsdoorsnedes in de tijd. De achterwand bestaat uit foto's op reuzeformaat: een fabrieksmeisje, de Alexanderplatz in Berlijn, de inauguratie van de Londense metro - het decor van het dagelijks leven, begeleid door hoefgeklop, het gezoem van een stofzuiger, ronkende race-auto's en digitaal gebliep. Aan de andere kant van de hellingbaan loopt een tribune waar koptelefoons en beeldschermen met reclamespotjes, interviews en drukwerk in facsimile, zoals een speelgoedcatalogus uit 1937, het tijdsbeeld completeren. In de vloer verzonken rode lichten markeren betekenisvolle stappen in de technologische vooruitgang: de ontdekking van aspirine (1853), de invoering van publieke vuilnisbakken (1884), de relativiteitstheorie (1915), de uitvinding van de laser (1958).

De 1600 objecten staan in drie rijen opgesteld: de kleinere onder lage vitrines als stolpen (die helaas het licht hinderlijk weerkaatsen), de meubels en huishoudelijk attributen in grote, met touw afgezette meutes bij elkaar; en achteraan een rij auto's. Overigens was de openheid van de opstelling voor een aantal musea en particulieren reden om bruiklenen te weigeren. Hier heerst niet de gewijde sfeer van de museale opstelling, maar de profane drukte van de betere vlooienmarkt.

Verscholen tussen deze rommelige, eigenlijk ook wel gezellige uitstalling staan diverse mijlpalen in bovengenoemde evolutie. De T-Ford bijvoorbeeld, waarvan er tussen 1908 en 1927 liefst vijftien miljoen zijn gemaakt, die niet alleen gemotoriseerd vervoer binnen het bereik van de gewone man bracht maar ook een omslag betekende in het machinale produktieproces. De hernieuwde kennismaking met een aantal beroemde ontwerpen brengt weer de shock of the new teweeg: afgezet tegen wat er verder zoal in 1918 werd gemaakt heeft de Rood-blauwe stoel van Rietveld toch weer het vermogen ons te verrassen.

Naarmate het heden dichter bij komt, wordt het moeilijker te onderscheiden welke objecten al klassiek zijn geworden. In de rozehouten en zwartleren fauteuil met voetenbankje van Charles Eames uit 1956 gaan hoogwaardige technologie en weelderig comfort voorbeeldig samen, dat staat vast, maar wat te denken van de tandenborstel van Philippe Starck, de uitzinnige meubels van Memphis, de laptop van Toshiba, het tv-tje op zakformaat?

Kameraden

Het feest van de herkenning is natuurlijk fijn, en iedereen heeft plezier in het ontdekken waar in die eeuw zijn eigen herinneringen op gang komen ("Zo een had mijn moeder ook...'). Maar spannend wordt het pas daar waar de promenade nostalgique ophoudt. Een uitspraak uit 1931 van Charlotte Perriand, die samen met Le Corbusier meubels ontwierp, heeft niets aan geldigheid verloren: “Alle scheppingen zijn revolutionair omdat ze al het reeds bestaande, tot het verleden doen behoren. Elke avond waren Le Corbusier, ik en onze kameraden bezig de wereld opnieuw te scheppen.”

Een aantal panelen vertelt in kort bestek over toonaangevende stromingen (Wiener Sezession, Arts & Crafts Movement), bedrijven (Thonet bijvoorbeeld en de Franse Prisunic met als credo het verkopen van "le beau pour le prix du laid'), ontwerpers en landen. Zo is de geografische verschuiving te volgen in de haard van de industriële creativiteit van Engeland aan het eind van de vorige eeuw, naar Duitsland in de jaren twintig en dertig, naar Amerika in de jaren vijftig en zestig en de laatste twintig jaar naar Europa. Of de toekomst in Japan ligt, daar laat men zich niet helemaal over uit, evenmin als over de rol en de invloed van nieuwe technologie en materialen op de verschijningsvorm van al die spullen. Naarmate de tijd voortschrijdt wordt de hellingbaan steeds voller met steeds compactere objecten - een aanduiding, vermoed ik, voor het steeds amechtiger tempo waarin wij produceren en consumeren. De trots van Het Nieuwe, nog zo tastbaar aanwezig bovenaan, is tussen de walkmans, de kunststoffen skischoenen en de magnetrons toch wel verdampt.

Wat de samenstellers hiermee willen zeggen, is al lang niet meer te ontcijferen. Dubuisson, zelf ontwerper, kwam in een interview niet veel verder dan dat hij de kunstzinnige pretenties van veel design-tentoonstellingen wilde vermijden en liever “een kijk op de samenleving geven door middel van de objecten waar wij mee leven”. Er moet haast wel een statement schuilen in het hellend vlak waarop deze "epische reis naar de wereld van het object' zich afspeelt, zoals de makers die zelf omschrijven. Het feit dat we niet naar de toekomst omhoog lopen, maar omlaag - is dat een vormgeverstruc of een waarschuwing? En dan nog die bijna dertig meter hoge spiegel waar je op dood loopt... Net als deze tentoonstelling kaatst de spiegel alleen het bekende en het bestaande terug - terwijl ik na een terugblik van een eeuw juist zo graag, net als Alice, zou willen weten wat er achter zit. Uiteindelijk zoek ik in dit vrijblijvende populistische panorama tevergeefs naar een stellingname, een standpunt - misschien zelfs, in het zicht van alweer een eeuwwisseling, naar een moraal.