Een doosje met avonden en ochtenden

Op een avond zaten de eekhoorn en de mier bij elkaar. Het was warm en stil en zij keken door het open raam naar buiten, naar de sterren. Zij hadden honing gegeten en gepraat over de zon, de oever van de rivier, brieven en vermoedens.

“Ik ga deze avond bewaren,” zei de mier. “Vind je dat goed?”

De eekhoorn keek hem verbaasd aan.

De mier haalde een klein zwart doosje te voorschijn.

“Hier zit ook al de verjaardag van de lijster in,” zei hij.

“De verjaardag van de lijster?” vroeg de eekhoorn.

“Ja,” zei de mier en hij pakte die verjaardag uit het doosje.

En zij aten weer taart, zo zoet als niemand ooit taart had gegeten, en dansten weer terwijl de nachtegaal zong en het vuurvliegje aan en uit ging, en zagen de snavel van de lijster weer glimmen van plezier. Het was de mooiste verjaardag die zij zich konden herinneren.

De mier stopte hem weer in het doosje.

“Daar stop ik deze avond bij,” zei hij. Hij deed het doosje dicht, groette de eekhoorn en ging naar huis.

De eekhoorn bleef nog lang voor zijn raam zitten en dacht aan dat doosje. Hoe zou die avond er nu in zitten? Zou hij niet verkreukelen of verbleken? Zou de smaak van de honing er ook in zitten? En zou je hem er altijd wel weer in kunnen krijgen als je hem er uithaalde? Zou hij niet kunnen vallen en breken, of wegrollen? Wat zou er trouwens nog meer in dat doosje zitten? Avonturen die de mier alleen had beleefd? Ochtenden in het gras aan de rivier, als de golven glinsterden? Brieven van verre dieren?

Zijn hoofd duizelde. Hij geeuwde en ging naar bed.

Ver weg, in het huis van de mier, gloeide die avond nog - tussen andere avonden en ochtenden - in het kleine zwarte doosje op de bovenste plank van de kast, terwijl de mier sliep.