Drie verhalen van Ernst Timmer; Onwrikbare levens

Ernst Timmer: Mallen. Uitgeverij Bert Bakker. 143 blz. Prijs: ƒ 24,90.

Leven in de breedte: voor die opgave stelde A.F.Th. van der Heijden zijn romanheld in Vallende ouders (1984), het eerste deel van zijn cyclus De tandeloze tijd. Hij mocht niet langer passief toezien en maar wat vegeteren, maar diende elk moment ten volle te benutten, te vullen met een eindeloze stroom van gedachten, associaties, herinneringen en ideeën. Want niet alleen deze hoofdfiguur en zijn tandeloze generatie maar, zo beweerde Van der Heijden in een interview, álle mensen zijn behept met een ”wezenlijke bewegingloosheid'.

Zijn collega Ernst Timmer lijkt zich minder te sappel te maken om die universele inertie. De personages in zijn verhalenbundel Mallen zijn in elk geval niet erg ambitieus en leggen zich maar al te graag neer bij hun beperkingen. Een van hen, een brugwachter, meent dat de essentie van het leven ligt in het koesteren van enkele verlangens. “Er zou zo weinig mogelijk moeten zijn dat de aandacht hiervan afleidde: de verlangens zouden in de diepte worden beleefd, en de breedte van het leven zou slechts bestaan uit een aantal eindeloos herhaalde routinehandelingen die zoveel mogelijk de verlangens zouden voeden en dienen. Dit noemde hij zijn existentiële verticaliteit.”

Leven in de diepte dus, of misschien beter: in de hoogte, want enige belangstelling voor het mysterie is het personage van Timmer niet vreemd.

Zijn detective-achtige debuutroman Het waterrad van Ribe (1990) was nogal katholiek van toonzetting. Belangrijke rollen waren weggelegd voor een ex-misdienaar en gewezen seminarist, een fanatiek meisje dat haakte naar het priesterschap, een onbetrouwbare pastor en paus Johannes Paulus II, tijdens zijn bezoek aan Nederland in 1985. Devoot was de toon van deze roman bepaald niet. Dat mag bijvoorbeeld blijken uit deze herinnering van de hoofdpersoon aan de zondagse communie. ”Je mocht Jezus bijten maar niet likken. Dat gaf problemen wanneer Hij zich vastzoog aan je gehemelte.'

Lofgepsalm

Ook in Mallen speelt Timmer met religieus erfgoed: met de Jezus-revival van de jaren zestig, met schuldbeladen zieltjes die almaar zwarter woren, en met echte en gevallen engelen. Dat levert niet altijd even subtiele passages op. In het verhaal ”Dwangposities' laat hij een beteuterde missionaris zijn intrede doen in de hel. De man had gerekend op een mooie plek in de hemel na goede werken te hebben verricht bij de Papoea's in Nieuw-Guinea. Maar er is anders beschikt, zo deelt hem een gnuivende en rijkelijk melige Satan mee, in een soort achttiende-eeuws Nederlands: “'k Mag ook steeds vaker leden uwer cliëntèle welkom heten, waarde missionair. Kannibalen, inboorlingen, hoe ze in het aards ook heten: vroeger was 't bestendig lofgepsalm des hemels hun gelag. Fataal was hun onwetendheid: van zondeval noch Godsverlossing, schuld noch wroeging wisten zij. Dit ontzegde hun mijn rijke doem, dit woeste rotsravijnenland, door vuurcascaden knetterend verlicht. Echter, sedert u en uwe medekerstenaars ontgonnnen 't land der koppensnellers en aldaar de blijde boodschap zaaiden, komen bosjesmannen hier in wassenden getale 't gouden vlamtapijt aanschouwen dat 't fluweelzacht der grotwelvingen versiert.”

Timmer heeft de neiging zijn verhalen net iets te lollig, te metaforisch of te mooi te willen maken, zodat niet alleen de stijl maar ook de vorm wat gewrocht aandoet. Het titelverhaal gaat over een geestelijk gestoorde, Freek, die zijn dagelijkse zekerheid ontleent aan een onwrikbare indeling van zijn leven. Overdag weeft hij met overgave onbruikbare kleedjes op een sociale werkplaats en de rest van de tijd brengt hij tevreden thuis door met zijn moeder. Aan die indeling houdt hij vast, ook na het overlijden van zijn moeder. Het verhaal moet het vooral van deze ontknoping hebben, maar Timmer dikte het aan met satirisch bedoeld gebabbel van ”externe deskundigen' over ”de andersdenkende medemens' en met gedelibereer over ”functiedifferentiatie' en ”kostenplaatjes' waar men gedwongen ontslagen en bezuinigingen op het oog heeft.

De hoofdpersonen van de drie verhalen in Mallen zijn zonderlinge, onaangepaste en dus ”malle' mensen, die alleen maar kunnen leven volgens bepaalde, vaste patronen ofwel mallen, want de titel is dubbelzinnig bedoeld. Ze worden bestuurd door hogere machten: rare passies, onbeheersbare aandriften, een hersendefect, een spelletjesmanie of een loodzwaar schuldbesef.

Hun verticale manier van leven maakt Timmers mallen tot willoze en nogal statische en verwisselbare personages. Het zal wel te veel gevraagd zijn om van iemand die mal is, iets bijzonders te verwachten, maar een wat bredere horizon had misschien toch geen kwaad gekund.