De hemel niet welgevallig; Boris Pasternak als componist

Voor Boris Pasternak begon met dichten, wilde hij componist worden. Volgens zijn grote voorbeeld Skrjabin was het Pasternak gegeven in de muziek een eigen geluid te laten horen. Onlangs werden drie pianowerken van de schrijver op cd uitgebracht.

Cd: Pasternak - Skrjabin - Prokofjev. Polo de Haas, piano. Muziek Producties. WVH 091. Postbus 25220, 3001 HE Rotterdam. Inlichtingen: 020-6830546.

"Sordo, occulto, profondo' staat er in maat 22 van de Sonate voor piano van Boris Pasternak. Die woorden "gedempt, occult en diep' hadden ook als motto boven het stuk kunnen staan. Alle 182 maten van de eendelige Sonate die de 19-jarige Pasternak in 1909 componeerde. Het is bekend dat deze Russische dichter en schrijver, die in 1958 voor zijn roman Dokter Zjivago de Nobelprijs voor literatuur kreeg, de taal als muziek kon laten klinken. Maar dat hij behalve woorden ook hyperromantische noten heeft gecomponeerd, wist tot voor kort bijna niemand.

Pasternak heeft zijn liefde voor de muziek in het algemeen en Skrjabin in het bijzonder uitvoerig beschreven in zijn autobiografische geschriften. Daarin laat de dichter, die in zijn jeugd uren achter de piano doorbracht, ook doorschemeren dat hij muziek gecomponeerd heeft. Op de resultaten daarvan gaat hij echter niet in. "Ik bewaar geen brieven of ruwe versies van mijn werk,' schreef Pasternak in 1955 aan een familielid. "Ik laat nooit iets ophopen; mijn kamer is gemakkelijker op te ruimen dan een hotelkamer. Ik leef als een student.' Vandaar dat er bij zijn dood in 1960 geen muziek tussen zijn spullen werd gevonden. In de jaren zeventig kwamen uit het familiearchief van de Pasternaks en uit de nalatenschap van de Russische pianist Heinrich Neuhaus, met wie Pasternak bevriend was, alsnog een paar vellen muziek van de dichter tevoorschijn.

Deze vondst leidde in 1977 tot een bijzondere première in de voormalige woning van Pasternak in Moskou: voor een kleine kring van ingewijden speelde de Russische pianist Vladimir Feltsman de Sonate voor piano uit 1909. Kort daarna publiceerde de Engelse Pasternak-kenner Christopher Barnes twee preludes uit 1906. Ook werden nog enkele fragmenten van composities gevonden, waaronder fuga's voor piano en een vermoedelijk nooit voltooid vierstemmig koraal naar een gedicht van Lermontov.

Onlangs zijn de drie voltooide pianowerken van Pasternak door de Nederlandse pianist Polo de Haas uitgevoerd en voor het eerst samen op cd uitgebracht,aangevuld met werk van de door Pasternak bewonderde componisten Skrjabin en Prokofjev. De drie pianostukken van Pasternak, die door De Haas met inlevingsvermogen en een ouderwets-romantische passie worden vertolkt, nemen in totaal nog geen 25 minuten in beslag. Het is expressieve, zoekende muziek waarin het wemelt van de kruisen en de mollen, maar van a-tonaliteit is geen sprake.

Leentjebuur

Als een hemelbestormer die zijn eigen stem nog niet goed kent, heeft Pasternak bij verschillende componisten leentjebuur gespeeld. De strenge vormgeving van de Sonate doet denken aan Beethoven, terwijl de opzet en sfeer van de beide Preludes verwantschap vertoont met Chopin. De virtuositeit en de donkere laatromantiek van Pasternaks stukken doen denken aan Rachmaninov, terwijl hij van Skrjabin de chromatiek en de vederlichte harmonische avontuurlijkheid heeft afgekeken.

Maar wonderlijk genoeg laat de jonge Pasternak in zijn verwoede pogingen het "Jenseits' te verklanken toch een eigen geluid horen. In zijn muziek klinkt de overdadige klankrijkdom, het soepele ritme en de woekerende intensiteit van zijn latere verzen door.

"Ze hadden me al bij de musici ingedeeld,' schreef Pasternak in zijn Mensen en Toestanden uit 1956 over zijn gymnasiumjaren. Op school werd hij tijdens de lessen regelmatig betrapt bij het oplossen van contrapuntproblemen, maar met het oog op zijn toekomst nam niemand hem dat kwalijk. Want in deze periode studeerde hij eveneens compositie bij de muziektheoreticus Joeri Engel en later bij de componist Reinhold Glière aan het Conservatorium van Moskou. Als oudste zoon van de impressionistische schilder Leonid Pasternak en de pianiste Rosaliya Kaufman, een leerlinge van Anton Rubinstein en Theodor Leschetizky, was Pasternak vanaf zijn vroegste jeugd omringd door muziek. Zijn moeder had hem piano leren spelen en in zijn puberteit raakte hij volslagen geobsedeerd door improviseren en componeren. De aanleiding daartoe was zijn kennismaking met de muziek van Skrjabin.

In de lente van 1903, "terwijl de zonnestralen uiteenspatten op de bomen en hun gebladerte', werd de twaalfjarige Pasternak in de bossen van Obolenskoje niet ver van Moskou als door de bliksem getroffen door flarden van Skrjabins Derde Symfonie. Ze kwamen uit een villa naast het zomerhuis van de Pasternaks, die verhuurd bleek te zijn aan Skrjabin. "Mijn God, wat voor een muziek was dat! De symfonie viel telkens in stukken uiteen en verbrokkelde als een stad onder artillerievuur en dan werd uit de scherven en puinhopen alles weer opgebouwd.' Skrjabin, die kort daarop voor zes jaar naar Zwitserland vertrok, werd Pasternaks held. Zijn originele muziek stak immers triomfantelijk de tong uit "tegen al het verheven stompzinnige en was tot aan bezetenheid toe, tot in het baldadige vermetel, dartel, elementair en zo vrij als een gevallen engel.'

Absoluut gehoor

Maar helaas stonden twee kwesties Pasternaks toekomst als componist in de weg. Ten eerste dreef zijn gebrekkige pianotechniek hem tot wanhoop. Ook al maakte Pasternak goede vorderingen in compositieleer, in praktisch opzicht was hij hulpeloos. Hij kon ternauwernood pianospelen en niet vlot van blad spelen, zodat "wat een bron van vreugde had kunnen worden veranderde in een eindeloze kwelling'.

Daarnaast was de toekomstige dichter geobsedeerd door de afwezigheid van een absoluut gehoor. Heilig overtuigd van de relatie tussen genialiteit en het bezitten van een absoluut gehoor, zag de bijgelovige Pasternak hierin een teken dat zijn muziek "de hemel en het lot niet welgevallig was.'

Toch gaf hij zichzelf nog een kans. Toen Skrjabin in 1909 naar Moskou terugkeerde om de première van zijn Poème de l'Extase bij te wonen, besloot Pasternak zijn composities bij hem te gaan voorspelen. Maar van tevoren sprak hij met zichzelf een teken af: hij "mocht' alleen componist worden, als zijn idool zou toegeven dat ook hij geen absoluut gehoor bezat. Zou Skrjabin daarentegen met de gebruikelijke praatjes over Wagner en Tsjaikovski komen, die evenmin een absoluut gehoor bezaten, en over alle pianostemmers die het wel bezaten maar die geen muziek konden schrijven, dan zou hij met componeren stoppen. Stijf van de zenuwen begon Pasternak voor Skrjabin te spelen, maar gaandeweg werd hij rustig. Na drie stukken concludeerde Skrjabin dat het Pasternak gegeven was "in de muziek een eigen geluid te laten horen.' Enthousiast raadde de componist hem aan om naast muziek ook filosofie te gaan studeren. Maar toen Skrjabin een van de stukken van Pasternak uit het hoofd in een verkeerde toonsoort begon na te spelen, begreep Pasternak dat ook zijn idool geen absoluut gehoor had. Voorzichtig sneed Pasternak het netelige onderwerp aan. "Een absoluut gehoor?' Zijn idool reageerde: "En Wagner dan? En Tsjaikovski? En al die honderden pianostemmers?'

Bijna opgelucht nam Pasternak afscheid: "Er steeg iets in mij omhoog, er scheurde zich iets los, er was iets dat zijn ketens verbrak. Er schreide iets, er jubelde iets. (-) Ik liep voort, versnelde bij iedere hoek mijn pas en wist dat ik die nacht al bezig was mij van de muziek los te scheuren.'