De Blije Terugkeer van het Meisjesboek

Waar zijn toch de meisjesboeken gebleven zoals ze in de dagen van weleer werden geschreven en gellustreerd?

NRC Handelsblad nodigt deze zomer een aantal auteurs uit op zoek te gaan naar het klassieke meisjesboek en er zelf een hoofdstuk van te schrijven. Als derde vandaag Doeschka Meijsing.

De voordelen van een onuitstaanbaar goed humeur, bedacht Tanneke.

Toen ze uit school kwam was het eerste dat haar moeder haar opdroeg een pond caustic soda te halen bij de drogist. De gootsteen was verstopt. Ze gooide haar boekentas geërgerd onder de kapstok. “Ik heb bendes huiswerk”, protesteerde ze.

“Dat zal wel niet, zo'n eerste schooldag”, zei haar moeder, vol overgave bezig met de roze rubberen zuignap ploppende geluiden te ontlokken aan de afvoer. Het stonk in de keuken. Tanneke zuchtte zwaar en griste het bruine gulden-biljet van de keukentafel. “Hier sta ik dan op aardens korst, en krab aan mijn bebloede borst en weet niet waar ik henen snel”, citeerde ze een dichtregel uit de Elektra. Die had ze onder Nederlands, verveeld bladerend door de bloemlezing, gevonden en Loes van Lammeren aangewezen. Daarop hadden ze allebei de slappe lach gekregen. Loes omdat Tanneke zich niet kon inhouden en Tanneke omdat ze zenuwachtig was van iets anders.

“Stel je niet aan”, riep haar moeder haar na.

Opnieuw moest ze langs haar broers en de buurjongen die met vette vingers aan de Berini zaten te sleutelen. Die hadden nooit huiswerk, de eerste dag. Opnieuw moest ze de zwarte handen ontduiken van de buurjongen die naar haar enkels dook. “Griezel”, zei ze met zoveel minachting als maar mogelijk was. Hij grinnikte zelfverzekerd.

“Witte sokjes is een probleem”, zei ze halverwege de straat hardop tegen zichzelf. Ze keek naar haar leren sandalen met de witte sokjes, die anderhalve stoeptegel als voetstapmaat hadden gekozen. Ze was de enige geweest uit deze tweede klas die de eerste schooldag niet met blote benen op school was gekomen. “Vind je dat niet een beetje kinderachtig?” had Dorothée de Wit gevraagd. “Alle meisjes van de balletschool dragen sokjes”, had Tanneke gelogen, “om de enkels warm te houden.”

Dat was dus het eerste probleem van dit nieuwe schooljaar. Die sokjes moesten vóór school uit- en voor thuiskomst aangetrokken worden. Het werd pas echt moeilijk als de oktoberdagen kwamen en de herfstige ochtenden koud zouden worden. Ze zag met afschuw weer de handigheid van haar moeder voor zich, die met vier pennen tegelijk de wintervoorraad beige en grijze Drie Suisses-kniekousen breide. “In de tweede draag je nylons”, had ze gezegd. “Niet voordat je ongesteld bent geworden”, had haar moeder onverstoorbaar geantwoord en Tanneke had op de wc woest hard geplast: Schiet toch op! Schiet dan toch op!

En het tweede probleem, bedacht ze op de terugweg met het puntzakje caustic soda, was dat ze zo gauw mogelijk van ballet afmoest. Ze kon het commentaar van haar moeder wel raden: “Net nu je met Kerstmis dure spitzen hebt gekregen!”

Kerstmis! Kerstmis was een halve eeuw geleden. Tussen Kerstmis en nu lag de zomervakantie en die had Tanneke benut om het besluit te nemen in de toekomst niet meer aardig te zijn. Aardig zijn hoorde bij de kindertijd. Ze had er genoeg van jaarlijks op de derde rij op te treden als elf of zwaan of poes in de stedelijke schouwburg. Ze had er genoeg van bij het minste geringste caustic soda te moeten halen. Vanaf de zomer zou ze haar leven in eigen hand nemen. Er was veel te doen. Ze zou een geleerde worden. Ze wilde alles weten.

En ze wist dat het al begonnen was. De voortekenen van de zomer hadden haar niet bedrogen.

Toen ze de tweede keer die middag de barrières op de route naar haar kamer had genomen - thuiskomen was oneindig veel ingewikkelder dan naar school gaan - telde ze op de rand van haar bed het geld na dat ze van het wisselgeld had achtergehouden. Ze liet de dubbeltjes en centen in het blikken Johnsson & Johnsson pleisterdoosje rollen. Ze hield even haar adem in of haar moeder het geluid had kunnen horen. Maar de gootsteen bruiste waarschijnlijk al.

Ze strekte zich languit op haar bed uit. Ze tilde één voor één haar benen loodrecht omhoog en bekeek ze kritisch. “De voordelen van een onuitstaanbaar goed humeur”, zei ze hardop.

Dat was wat de nieuwelinge had gezegd. Ze hadden in de kleine en in de grote pauze in een kring om haar heen gestaan. Zij die met z'n allen van het vorig jaar waren gekomen: zonder slag of stoot waren ze de vakantie doorgekomen; hupsakee, daar zaten ze weer in de banken alsof er niets was gebeurd. Het eerste uur had Tanneke een onverklaarbare weerzin voelen opkomen, tegen Dorothée de Wit, tegen Loes van Lammeren, tegen Atty de Ronde. O, o, wat een verhalen! O, o, wat een zomerzotheden! Moest ze het daarmee doen, het hele jaar?

Gelukkig was daar de lange nieuwelinge. Ze was veel ouder, zeker vijftien of zestien. Ze kwam uit Afrika. Maar ze had eigenlijk overal gewoond. In Hongkong, in Venezuela. Nu was ze hier. Haar ouders waren een jaar geleden neergestort in een klein vliegtuigje. Nu was ze wees. Golven van medelijden waren op haar neergedaald, maar ze had ze weggewoven met een buitenlands handgebaar. Ja, een buitenlands handgebaar, besloot Tanneke. Nu woonde ze bij een tante en een oom. Het was eruit geweest voordat ze het had gemerkt: “Die wonen in een eikeboom”, had Tanneke gezongen en onmiddellijk was ze het middelpunt geweest van hevige verontwaardiging. Even had haar voornemen om niet meer aardig te zijn gewankeld. Maar de nieuwelinge had over de hoofden heen naar haar geglimlacht en had over het humeur gesproken.

Was dat het geweest waardoor Tanneke de rest van de dag nerveus was geweest? Nee Tan! Als je liegt, doe het dan ten minste niet tegen jezelf.

Onder Frans was ze naar de wc geweest. Terwijl ze treuzelde voor de spiegel was de lange binnengekomen. Ze had naast Tanneke voor de spiegel een Miss Blanche opgestoken. Gebiologeerd had Tanneke toegekeken. Zoveel zelfbeheersing, zoveel vaardigheid - en dat voor een weeskind!

“Zal ik je leren roken?” had de lange gevraagd, maar ze vroeg het aan haar eigen spiegelbeeld. En op Tannekes aarzelende bevestiging: “Zal ik je leren kussen? Zal ik je leren wippen?” “Waarom?” had Tanneke gevraagd, meer verbaasd dan iets anders. “Omdat je nog sokjes draagt”, was het antwoord geweest en daarna was de nieuwelinge met haar sigaret in de wc verdwenen. “Woensdagmiddag” had het nog boven de gesloten deur uit geklonken.

Geen slecht begin, dacht Tanneke op haar bed, helemaal geen slecht begin voor het nieuwe jaar.

Beneden riep haar moeder dat ze thee moest komen drinken. Haar broers zaten met naar terpentijn stinkende handen aan de keukentafel. De griezel zat er ook.