CDA haalt bakzeil in Kamerdebat over meldingsplicht allochtone werknemers; PvdA kiest voor wetsvoorstel oppositie

DEN HAAG, 2 JULI. Om kwart voor drie vannacht sprak het Tweede-Kamerlid drs. Thanasis Apostolou (PvdA) het verlossende woord: “Wij steunen het initiatiefvoorstel.” Toen hij het spreekgestoelte verliet, stak de volgende spreker, Wilbert Willems van GroenLinks, hem snel een feliciterende hand toe. De PvdA was uiteindelijk toch door de bocht gegaan, het wetsvoorstel voor meldingsplicht over allochtone werknemers van de oppositie (VVD, D66, GroenLinks) had gewonnen. Het CDA zat er, onder aanvoering van woordvoerder Doelman-Pel, bedremmeld bij.

In "vak K', dat normaal is gereserveerd voor het kabinet maar waar dinsdag, woensdag en donderdag naast de ministers De Vries (sociale zaken en werkgelegenheid) en Dales (binnenlandse zaken) ook de initiatiefnemers Dijkstal (VVD), Groenman (D66) en Rosenmöller (GroenLinks) zaten, genoot dit laatste drietal van de overwinning.

Waar ging het deze week ook weer om? De werkloosheid onder allochtonen is enorm hoog - van de Turkse en Marokkaanse beroepsbevolking zit 40 procent zonder werk - en die werkloosheid bedreigt de maatschappelijke stabiliteit. Ledigheid is volgens een oud spreekwoord des duivels oorkussen, en nodigt soms uit tot criminaliteit.

In mei 1989 hield de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in zijn baanbrekende rapport "Allochtonenbeleid' Nederland het voorbeeld van Canada voor. Bedrijven moeten in Canada rapporteren in welke mate ze minderheidsgroepen in dienst hebben. Met die informatie kunnen discriminerende werkgevers onder indirecte maatschappelijke druk worden gezet. Directe overheidsdwang (quotering) wordt daardoor overbodig, en dat is belangrijk. In Nederland heeft de ervaring met de gehandicapten geleerd dat zulke overheidsdwang nauwelijks zoden aan de dijk zet.

Een uitgebreide delegatie Tweede-Kamerleden toog daarop naar Canada, en de sociale partners zagen de bui hangen. Op 14 november 1990 spraken de centrale werkgevers- en werknemersorganisaties in de Stichting van de Arbeid af dat in vier tot vijf jaar 60.000 extra arbeidsplaatsen voor etnische minderheden moesten worden gecreëerd. Ondernemingen met meer dan tien werknemers moesten daartoe "taakstellende werkplannen' opstellen. Vijftig "bedrijfsadviseurs minderheden' moesten vanuit de arbeidsbureaus de bedrijven aan geschikte allochtonen helpen.

De politiek gaf de sociale partners het voordeel van de twijfel. Wel vroeg het kabinet in januari 1991 de Sociaal-economische raad om advies over de vraag hoe wetgeving het Stichtingsakkoord kon ondersteunen. Toen dat advies een vol jaar later nog steeds op zich liet wachten - vooral de werkgevers zaten om wettelijke "steun' allerminst verlegen - nam de oppositie in februari 1992 het initiatief voor een eigen wetsontwerp. Het was op 10 april 1992 gereed.

De VVD, D66 en GroenLinks namen de Canadese Employment Equity Act als voorbeeld. Een bedrijf met meer dan 35 werknemers moet aan de Kamer van Koophandel rapporteren over het aantal allochtonen dat het in dienst heeft, hoeveel er het afgelopen jaar bijkwamen en hoeveel afvloeiden, en in welke mate allochtonen promotie maakten. Tegen betaling van de kopieerkosten zijn die gegevens bij de Kamers van Koophandel voor iedereen toegankelijk.

Het kabinet kwam op 8 december 1992 met een eigen wetsontwerp. Dat volgde in grote lijnen het unanieme advies dat de Ser op 20 maart 1992 alsnog had afgeleverd. Maar terwijl de Ser voorstelde dat de Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening de werkgevers alleen over hun "allochtonen'-gegevens mochten vragen als tweederde van de geledingen in de RBA's (overheid, werkgevers en werknemers) daarom vroeg, vond het kabinet een gewone meerderheid voldoende.

Van publieke informatie was in het kabinetsvoorstel echter geenszins sprake. Werkgevers werden weliswaar verplicht tot het bijhouden van een "allochtonen-administratie', maar ze hoefden die informatie alleen aan de arbeidsbureaus te verstrekken als die erom zouden vragen. En ook dan waren de arbeidsbureaus verplicht deze "vertrouwelijke' informatie binnenskamers te houden. “Een lege dop,” concludeerde de oppositie. De PvdA bleek het daar uiteindelijk mee eens.