Brits fraudebureau is bulldog-imago kwijt

LONDEN, 2 JULI. Het was in de vroege ochtend van 18 juni 1992 dat in de Londense wijk Chelsea een groep journalisten bijeen dromde voor de later op anderhalfmiljoen gulden getaxeerde woning van Kevin Maxwell. De oudste zoon van uitgever-schurk Robert Maxwell lag nog in bed, naast zijn echtgenote Pandora en de gordijnen van de slaapkamer op de eerste verdieping waren nog gesloten. Het was net zes uur geweest toen een auto de straat indraaide, die stilhield voor huize Maxwell. Terwijl de camera's snorden en de schrijvende pers gefascineerd de pen in de aanslag hield, maakten zich uit de auto twee heren in regenjas vrij die het tuinpad opliepen en aanbelden. Op de eerste verdieping gingen de gordijnen opzij en de in nachtkledij gestoken gestalte van Pandora Maxwell werd zichtbaar. Met een ruk werd het raam opengeschoven: “We staan pas over een uur op. Donder op!”

Mevrouw Maxwell jr. had duidelijk genoeg van de belegering die haar gezin in de nasleep van de acties van haar schoonvader had moeten doorstaan. Maar de regenjassen sloegen geen acht op haar ruwe uitval en belden opnieuw. En nog eens. Dit keer knalde het raam bijna uit zijn sponningen. “Piss off! Of ik bel de politie.” Een van de regenjassen deed een stap achteruit om beter omhoog te kunnen kijken. “Maar madam, wij zijn de politie!” Even later, net op tijd voor het begin van de nieuwsuitzendingen van de ontbijttelevisie, werd Kevin Maxwell tussen beide heren weggeleid, om gehoord te worden over zijn aandeel in de miljoenenfraude van het Maxwell-concern.

Het is een van de gevallen die het nu vijf jaar oude Serious Fraud Office (SFO), de instantie belast met opsporing en ontwarring van grote fraudezaken, in opspraak heeft gebracht. Al vóór de beschuldigingen van ex-staatssecretaris Michael Mates, dat het SFO in het vooronderzoek naar de activiteiten van zakenman Asil Nadir “berechting door de media” heeft gestimuleerd, uitten Lagerhuisleden onder vier ogen al hun onvrede over de publiciteit waarmee sommige arrestaties van het SFO gepaard gingen. Iemand moest de pers tippen en de verdenking was dat die iemand binnen het SFO zelf te vinden is.

Nu Michael Mates de kat de bel heeft aangebonden en het SFO van nog veel meer kwalijke praktijken - samenspannen met de belastingdienst, pogingen de rechter te benvloeden - heeft beschuldigd, ziet die organisatie zich opeens geconfronteerd met een berg aan kritiek, waartegen ze zich uit alle macht dient te verdedigen. George Staple, sinds een jaar hoofd van het SFO, heeft gezegd dat hij concrete aanwijzingen van wangedrag binnen de organisatie persoonlijk zal onderzoeken. Maar tot nu toe zijn die, zegt Staple, niet geleverd.

Het Serious Fraud Office werd geboren in 1988, kind van het verlangen dat grote fraudezaken sneller en professioneler aangepakt zouden worden dan in het vermogen lag van de fraudeteams van verschillende betrokken ministeries. De regering-Thatcher was als de dood dat de reputatie van de City als vooraanstaand financieel centrum schade zou lijden, als oplichters vrijuit bleven gaan, zoals in de jaren daarvoor was gebeurd. De nieuwe instelling werd opgetuigd met bevoegdheden waarover niet eens de politie beschikt: het recht om getuigen en verdachten te dwingen hun mond open te doen en stukken over te leggen. Aan fraudes van minder dan 5 miljoen pond begon het SFO niet. De meest competente juristen, de slimste accountants werden door het Fraud Office - vaak op uurloon - ingehuurd voor het ontwarren van financiële malversaties. Wie het SFO aan de deur kreeg, sidderde.

Maar de reputatie van het SFO als de bulldog die boeven voor de rechter sleept om ze hun gerechte straf te laten ondergaan, is na vijf jaar aangetast. De klacht is dat het SFO zijn onderzoek te lang rekt, zijn tenlasteleggingen te complex maakt en daardoor het geld (nu al drie maal zoveel als in 1988: 75miljoen gulden per jaar) niet waard is.

Het "Serious Flawed Office' ("ernstig mank gaande') kopte de Daily Telegraph gisteren een verhaal over het fraudeteam. En het somde op: eerst was er het eerste proces in het Guinness-schandaal (bezwendeling van aandeelhouders door het kunstmatig opschroeven van de aandelenprijs in de strijd om overname van Distillers), waarin slechts vier van de acht verdachten werden veroordeeld. Toen was er het Blue Arrow-proces, dat een jaar duurde en de belastingbetaler bijna 1 miljard gulden kostte - met als enig resultaat dat het vonnis jegens verdachten in hoger beroep werd vernietigd. Daarna volgde Guinness II, een proces dat beëindigd werd toen een van de verdachten instortte. Dat werd gevolgd door Guinness III, waarin het niet eens tot een rechtszitting kwam, omdat het SFO de vervolging opgaf. Nu is er Asil Nadir, het hoofd van Polly Peck International, die goede vrienden voor een borgsom van 3 ton (in ponden) laat opdraaien door berechting in Engeland te ontvluchten. Het vooronderzoek naar Nadir heeft bijna drie jaar geduurd. De verdachten in met veel publiciteit omgeven fraudezaken als die van de Bank of Credit and Commerce International (BCCI) en de Maxwellaffaire weten nog steeds niet wanneer hun zaak voor de rechter komt.

De bankier Lord Spens, een van de van rechtsvervolging ontslagen verdachten in de Guinness-affaire, zegt dat het SFO zo slecht werkt, omdat het bemand wordt door “volstrekte amateurs”, die geen enkel verstand hebben van strafrechtelijk onderzoek of van juridische vervolging. “Ze worden binnengehaald van advocatenbureaus en van accountantspraktijken, ze zijn onderzoeker en vervolger tegelijk en ze worden door niemand gecontroleerd. Zij reageren op de grillen van de regering-van-de-dag. Ze zijn politiek gemotiveerd. In de Guiness-affaire hadden ze al arrestaties verricht nog vóór er sprake was van een tenlastelegging.”

Het SFO-hoofd,George Staple, verweert zich door erop te wijzen dat het aantal veroordelingen in door het SFO aangebrachte zaken “redelijk goed” is: gemiddeld 65% in de eerste vijf jaar. “En als we naar het aantal zaken kijken (107 met 227 verdachten), dan hebben we in 91% van de gevallen tenminste één van de verdachten veroordeeld gekregen.” Dat neemt niet weg dat Staple open staat voor veranderingen, die tot een hogere veroordelingsratio kunnen leiden. Zo heeft hij onlangs gepleit voor de mogelijkheid om, naar Amerikaans voorbeeld, een soort "plea-bargaining' in te voeren: de verdachte werkt mee aan het onderzoek in ruil voor vermindering van straf.

Michael Levi, hoogleraar strafrecht aan de Universiteit van Cardiff, heeft net een onderzoek gedaan naar de effectiviteit van het SFO. Hij zegt dat het bureau “redelijk goed werkt” en wijst erop dat verdachten er bijna als regel op uit zijn zichzelf vrij te pleiten door een ander de schuld te geven. Dat mechanisme ligt volgens hem mede ten grondslag aan de plotselinge onpopulariteit van het SFO.

Desondanks: de 57 zaken die het fraudebureau op dit moment in behandeling heeft, met een geschat fraude-totaal van 6,2 miljard pond (ruim 16 miljard gulden), zouden volgens Staple vijf jaar geleden “niet zijn onderzocht en niet vervolgd en worden nu efficiënt afgedaan.”