Ze moeten wat te doen hebben

F. Wemelsfelder. Animal Boredom: towards an empirical approach of animal subjectivity. Elinkwijk, Utrecht, 1993.

Te veel tijd en te weinig te doen. Het is een probleem waarmee veel dieren in gevangenschap te maken krijgen. Ze proberen het op verschillende manieren op te lossen. Maar in een erg saaie, voorspelbare omgeving is het resultaat al gauw "gestoord' gedrag. Gorilla's in ouderwetse dierentuinen vullen soms de tijd met het opgeven en weer naar binnenwerken van hun maaginhoud, en menige papegaai op drie hoog achter plukt zichzelf kaal.

Vorige maand promoveerde biologe Françoise Wemelsfelder aan de Rijksuniversiteit van Leiden op theoretisch onderzoek naar gedragsstoornissen door verveling. Kernpunt van haar betoog is dat diergedrag actief is en zich niet aan de hand van ingebouwde mechanismen laat verklaren - dieren beschikken over bewustzijn. "Met betrekking tot "bewustzijn' is de terminologie in het Nederlands moeilijk', licht Wemelsfelder toe. "Die term lijkt denken en zelfreflectie te suggereren. Dat doe ik niet. Maar ik zeg wel dat dieren een vorm van zelfbesef hebben.'

De gevolgen van verveling zijn volgens Wemelsfelder bij uitstek geschikt om dat bewustzijn te onderzoeken. De reactie van het dier op een nieuwe prikkel, bijvoorbeeld een voorwerp dat in zijn kooi gebracht wordt, is daarbij veelbetekenend. Als stadia bij het ontstaan van gedragsproblemen onderscheidt zij achtereenvolgens die van frustratie, verveling, en depressie.

In het eerste stadium benadert het dier een nieuw voorwerp nieuwsgierig, en gaat er op een normale manier mee om. Maar naarmate het langer in zijn prikkelarme kooi verblijft, verliest het zijn flexibiliteit. Het benadert het voorwerp aarzelend en afwachtend, sterk geneigd zich terug te trekken. In de laatste fase is het dier het dier elk besef van relatie met de omgeving kwijtgeraakt - het gedrag is ontwricht. Een nieuwe stimulus wordt niet meer nieuwsgierig tegemoet getreden, maar juist ontweken.

Volgens Wemelsfelder zijn lusteloosheid en vaak herhaalde, stereotype bewegingen in dit stadium een duidelijk tekenen van depressie. Sterk agressief en schrikachtig gedrag kan daarnaast op angst wijzen.

"Depressie' mag volgens Wemelsfelder ook gelezen worden als "aangeleerde hulpeloosheid', een term die bij afwijkend gedrag van dieren vaker gebruikt wordt. "De afbraak van het actieve karakter van gedrag is een directe uiting van lijden, bij depressieve mensen volgen we precies dezelfde redenering. Natuurlijk zijn er enorme verschillen tussen de mens, en de hoge en lagere dieren. Maar dieren met een eenvoudig zenuwstelsel lijden misschien anders, maar niet minder onder.'

Ratten en platwormen

Weinig mensen ontkennen nog dat mensapen en dolfijnen zelfbewustzijn en abstraheringsvermogen hebben - daar is voldoende onderzoek naar gedaan. Degenen die hechten aan het idee van fundamenteel verschil tussen mens en dier zijn tegenwoordig geneigd mensapen en dolfijnen dan maar aan de kant van de mens te scharen. Maar Wemelsfelder betoogt dat aan alle dieren bewustzijn toegekend moet worden. Haar onderbouwing bestaat uit verschillende pijlers: de manieren waarop dieren zich oriënteren, actief en anticiperend hun omgeving onderzoeken, en spelen. "Wanneer zij zich oriënteren maken ook "lagere' dieren actief keuzes. Ratten kijken bij een splitsing in een doolhof links en rechts. Maar platwormen doen dat òòk. Er is veel meer sprake van continuteit dan van een kloof. Sociale insekten weten allerlei variaties in proefopstellingen over te brengen op soortgenoten. Dat dat onbewust zou gebeuren is alleen maar een aanname.'

Ook voert zij het verschijnsel aan dat veel diersoorten in gevangenschap graag werken om voedsel te vinden, terwijl ze dat met veel minder moeite ook uit een voerbak zouden kunnen halen. "Het dier geeft er de voorkeur aan feed-back op zijn handelingen te krijgen. Maar dat is evolutionair, bijvoorbeeld aan de hand van een kosten-baten analyse, niet te verklaren.'

Maar de behoefte om op de geëigende manier naar voedsel te zoeken kan toch heel goed tijdens de evolutie zijn ingebouwd ?

Dat is volgens Wemelsfelder een schijnverklaring. "Je ziet dat ook bij modellen van diergedrag die in de cognitieve psychologie gehanteerd worden. Het is wegverklaren van actieve aspecten van diergedrag in passieve, ingebouwde mechanismen die alles integreren en daar gedrag uit produceren. Zulke modellen bieden een mechanische schijnoplossing.'

Het toekennen van menselijke eigenschappen aan dieren was lange tijd taboe, nadat het behaviourisme en de gedragsbiologie de vroege dierpsychologie van de markt hadden verdrongen. Maar tegenwoordig wordt weer - nu statistisch onderbouwd - gesproken van bijvoorbeeld doelbewuste misleiding, geruststelling en verzoening. Wemelsfelder roept in haar proefschrift op tot onderzoek dat zich met een objectieve aanpak richt op bestudering van bewustzijn. Gaat het huidige onderzoek niet ver genoeg? Wemelsfelder:

"Er is al onderzoek dat in de richting gaat, maar vaak ontbreek het juiste kader en wordt het niet geaccepteerd. Mijn model biedt aanknopingspunten voor objectieve, empirische bestudering van bewustzijn.'

Houtwol

Wemelsfelder roept ook op tot verrijking van de omgeving van dieren in gevangenschap. Dieren moet een omgeving geboden worden die het dynamische karakter van hun gedrag niet belemmert, maar het volop de ruimte geeft. Bijvoorbeeld: de dieren moeten hun verblijf niet vanaf één punt kunnen overzien, en het nodige te onderzoeken hebben. Dat lijkt even belangrijk als andere eisen die aan de huisvesting gesteld worden. Is het nodig om bepaalde verrijkingsmaatregelen te verplichten?

"In de bio-industrie is regelgeving broodnodig. Maar onder verzorgers in proefdierbedrijven en dierentuinen is al opvallend veel enthousiasme voor verrijking. Belangrijk is dat er geld wordt vrijgemaakt voor het uitproberen van ideeën.'

Omgevingsverrijking hoeft volgens Wemelsfelder niet arbeidsintensief of kostbaar te zijn. Het kan zelfs kostensparend werken. Ze noemt een simpele maatregel bij muizen die gehouden worden als proefdier. "Knaagdieren, eigenlijk schemerdieren, staan in laboratoria permanent aan licht blootgesteld. Maar als ze houtwol in de kooi krijgen kunnen zich verstoppen, graven en knagen. Er is dan een sterke verbetering in hun gedrag. Ze eten bijvoorbeeld hun jongen niet meer op.'

Na haar promotie vertok Wemelsfelder weer naar de Scottish Agricultural Society in Edinburough. Daar probeert ze in een experimentele opzet de afbraak van actief gedrag aan te tonen bij varkens in een prikkelarme ruimte. "De ironie is dat ik uit de overtuiging begonnen ben dat lijden aantoonbaar is. Het is gelukt om daar een model voor te ontwikkelen, maar nu moet ik het ook zelf in de praktijk toepassen - hopend dat daarmee op de langere termijn ander dieren worden geholpen'.