Vuile handen

Het was, dacht ik, Rudy Kousbroek die eens opmerkte dat je het beschavingspeil van een cultuur kon aflezen aan de mate waarin dieren in hun waarde worden gelaten. Dit is zonder twijfel een sympathiek uitgangspunt dat terecht een ban legt op activiteiten als spinnen de poten uittrekken, het opblazen van kikkers en het vastbinden van lege blikjes aan de staart van een kat. Mogelijk impliceert deze stelregel ook een veroordeling van het fenomeen kistkalveren of kippen in legbatterijen - het lijkt nogal duidelijk dat een kalf of een varken zonder enige bewegingsvrijheid en verstoken van elk sprankje buitenlucht, zijn kalf- dan wel varkenschap niet ten volle kan verwerkelijken. En dan hebben we het nog niet eens over vivisectie, waarin de martelpraktijken nog een graadje verder gaan.

Maar hoe dat nu precies zijn beslag moet krijgen, dat idee van de dieren in hun waarde te laten, blijft een beetje mistig, juist omdat dieren toch altijd al gebruikt worden door mensen om het een of andere doel te bereiken. Wat ik in ieder geval wel weet is dat humanisering van dieren niet werkt. Dieren zijn geen mensen en het aanleggen van menselijke maatstaven voor dieren leidt alleen maar tot ellende. In Amerika bijvoorbeeld, waar geen trend kan ontstaan zonder dat die zich tot een uitwas ontwikkelt (dat maakt het zo'n interessant land), bestaan er dierenziekenhuizen. Op zichzelf niets bijzonders; in Nederland kun je ook met een kwijnende parkiet of een lamme hond naar de dierenarts die het beestje weer oplapt. Het opmerkelijke van de Amerikaanse pethospitals is dat het vaak professioneel geoutilleerde revalidatie-oorden zijn, compleet met diagnose-apparatuur, operatiekamers en recovery-rooms. De dieren worden ook echt opgenomen en na genezing ontslagen. De moeder van een vriendin van mij maakte ooit een reis van zo'n duizend mijl (twee dagen rijden) met een achttienjarige hond die aan kanker leed. Het beestje werd geopereerd, kreeg nog wat chemotherapie en mocht incontinent weer mee naar huis, waar hij na een paar maanden van liefdevolle verzorging alsnog overleed, zonder ooit zijn levenslust hervonden te hebben. Dit kostte haar een lieve som aan spaarcentjes, maar ze had het er toch voor over, aldus haar dochter, omdat ze heel erg aan die hond gehecht was en de gedachte niet kon verdragen niet het uiterste gedaan te hebben om hem te redden.

Dit hele gedoe, dat overigens niet uitzonderlijk is want die pethospitals doen goede zaken, lijkt me eerder een aantasting van de dierlijke waardigheid dan een bevestiging ervan, ook al gebeurt het dan onder het mom van dierenliefde. Het venijn van dierenliefde schuilt in de sentimentaliteit die er vaak het gevolg van is. Huisdieren behandelen voor kanker of suikerziekte, katten kaviaar voeren (of ze straffen voor het vangen van een vogeltje), honden naar een vakantiepension brengen en elke dag opbellen om het dier geruststellend toe te spreken, het zijn allemaal uitingen van sentimentaliteit, waar het dier niet bij gebaat is, maar die vooral dienen ter meerdere glorie van de eigenaar.

De verhouding tussen mens en dier is noodgedwongen instrumenteel. De enige uitzondering die ik zo snel kan bedenken is het bespieden van vogels door een verrekijker. Daarbij worden de dieren met rust gelaten. Het op safari gaan om mooie plaatjes van leeuwen te schieten vanuit een tegen leeuwenklauwen bestendige jeep overschrijdt alweer de kitsch-grens, omdat mensen in het echt maken dat ze wegkomen als ze een leeuw tegenkomen.

Of het nu om liefde, kwelzucht of het stillen van honger gaat, het is de mens die oppermachtig is en het dier dat zich moet schikken naar de luimen van zijn overheerser. De ontkenning van deze principiële ongelijkwaardigheid leidt niet alleen tot kleffe sentimenten, maar ook tot hypocrisie. Een sterk staaltje daarvan kwam ik laatst tegen in een stukje van Michiel Hegener op deze Achterpagina, waarin hij vertelde hoe hij een Ketch-All had gekocht om een muizenplaag in zijn huis te bestrijden. Aan deze moderne muizenval kwam geen bloed te pas, aangezien de contraptie het gedierte ongeschonden wist te verschalken. Het volgende probleem was: wat te doen met de geweldloos gevangen prooi? De muizen alsnog eigenhandig doodmeppen of verdrinken komt niet in aanmerking voor iemand die zo'n ethische muizenval heeft aangeschaft. Dus wat deed Hegener? Hij laadde de Ketch-All met inhoud en al in zijn auto, reed dertig kilometer verderop naar het landgoed Huis ten Bosch, gaf de diertjes hun welverdiende vrijheid en reed met schone handen en een onbezoedeld gemoed weer naar huis. Wat een nobel gebaar, wat een fijnzinnige ethiek!

Het vervolg van deze geschiedenis stond er niet bij, maar laat zich makkelijk raden. Dit tiental muizen (geen veldmuizen maar huismuizen) zet natuurlijk onmiddellijk koers naar het buitenverblijf van de koningin. Als de lakeien ter plekke even hard terugdeinzen voor de verdelging van ongedierte, stellen zij ook een Ketch-All op, rijden dertig kilometer in omgekeerde richting, waarna Hegener zijn ongewenste gasten in zijn voortuin weer kan begroeten. Lakeien zullen wel wat anders te doen hebben, dus je mag aannemen dat ze een efficiëntere methode zullen gebruiken om van de muizen af te komen. Niet dat Hegener een traan zou laten als hij wist dat zijn "bevrijde' muizen in latere instantie het loodje zouden leggen, het was hem er toch alleen maar om te doen zelf geen vuile handen te krijgen.

Aan Albert Schweitzer werd eens gevraagd wat hij kinderen zou leren om ze de waarde van het leven bij te brengen. Hij gaf een nogal krachtdadig antwoord: Stel er wordt een nest jonge katjes geboren en het zijn er te veel om te houden en verder wil niemand ze hebben, dan zou hij zijn kinderen laten zien hoe de overtollige katjes pijnloos om het leven te brengen. Deze zakelijke woorden zullen weinig weerklank vinden in een tijd van muizentransporten over de Veluwe en wanhopig waken aan het sterfbed van een hond. Toch heeft Albert Schweitzer (niet de eerste de beste op het gebied van altrusme) een beter idee van de waarde van het leven en bovendien was hij niet te beroerd onder omstandigheden die om ingrijpen vroegen zelf het beulswerk ter hand te nemen. Een moedig man.