Verontreiniging door carbamaten neemt zelfs nog toe

In het grond- en oppervlaktewater zullen de concentraties aan giftige carbamaten, bestrijdingsmiddelen die in de land- en tuinbouw worden toegepast, de komende jaren niet verminderen. Dat blijkt uit een rapport in de reeks Watersysteemverkenningen van Rijkswaterstaat.

Volgens het Meerjarenplan Gewasbescherming moeten de emissies van bestrijdingsmiddelen naar het oppervlaktewater tot 1995 met 70 tot 80 procent omlaag en in het jaar 2000 zelfs met 90 procent omlaag.

Carbamaten worden niet in Nederland geproduceerd. De belangrijkste emissies vinden we in land- en tuinbouw. Spuitrestanten, uitspoeling en drift brengen tezamen zo'n 3,3 ton carbamaten per jaar in het milieu. Via Rijn en Maas komen ongeveer evenveel carbamaten ons land binnen als door binnenlands gebruik.

Het gaat om aldicarb, benomyl, carbendazim, carbofuran, oxamyl en thiabendazool, een groep bestrijdingsmiddelen die sinds de jaren zestig in zwang is. Carbamaten worden vooral als insecticiden toegepast. Ze zijn oplosbaar in water en kunnen acuut giftig zijn voor waterorganismen. Aanvankelijk werd verondersteld dat ze niet persistent zijn, maar dat wordt nu in twijfel getrokken.

Voor de grondontsmetters aldicarb en oxamyl geldt dat ze kunnen worden omgezet naar giftiger, persistente verbindingen. Inmiddels zijn aldicarb en afbraakprodukten en carbendazim in het grondwater aangetroffen. Chloorprofam en pirimicarb zijn in de provincie Flevoland in het regenwater aangetoond.

De onderzoekers verwachten dat het gebruik van carbendazim en pirimicarb zelfs nog toeneemt, omdat het verbruik een jaarlijkse stijging vertoond. Zelfs als het verbruik afneemt kan men nog jarenlang een na-ijl-effect naar het grondwater verwachten.