Verenigde Staten; Grens van het milieubeleid

Behalve slangen, smokkelaars en keuterboeren had niemand vroeger veel te zoeken aan de grens tussen Mexico en de Verenigde Staten. Dat is de laatste jaren veranderd. Van Matamoros in het Oosten tot Tijuana aan de Westkust schieten prefab-bedrijfsgebouwen van aluminium en glas als paddestoelen uit de grond. Zij herbergen de profijtelijke maquila-industrie: assemblagebedrijven die hun hoofdkantoor gewoonlijk in de VS hebben, al doen ook Japanners en Europeanen hier goede zaken. In Mexico hoeven zij immers niet de lonen en sociale voorzieningen te te betalen die ten Noorden van de grens gelden. En de overheid ziet er minder nauwlettend toe op de arbeidsomstandigheden.

Met de ondertekening van het Noordamerikaanse vrijhandelsverdrag (NAFTA) tussen de VS, Mexico en Canada verrichte George Bush eind vorig jaar een van de laatste officële handelingen van zijn presidentschap. Het NAFTA zou een einde maken aan van de weinige bezwaren van het produceren-over-de-grens: de invoerheffingen aan Amerikaanse zijde, die de winstmarges afroomden.

Particuliere belangenorganisaties (zogeheten NGO's) hebben vanaf het begin echter nóg een bezwaar te berde gebracht: zij waarschuwden dat de maquila-industrie tevens werd gemotiveerd door de ontspannen milieuwetgeving aan Mexicaanse zijde. Het grensgebied zou daardoor een polution-haven worden, aldus de NGO's.

Uit talloze onderzoeken is inmiddels gebleken dat de vervuiling en de gezondheidsriscico's aan weerszijden van de grens schrikbarend zijn toegenomen. Zowel direct, door het vrijkomen van giftige afvalstoffen in bodem, water en lucht, als indirect, omdat de razendsnel groeiende woongebieden hun eigen afvalberg produceren en bovendien een broedplaats zijn van besmettelijke ziekten.

Bush en vervolgens Clinton hebben die bezwaren steeds weggewuifd, met als argument dat deze details geregeld moesten worden in de bijlagen van het akkoord. De economische groei ging immers voor alles. Drie grote en zeer invloedrijke Amerikaanse NGO's - Public Citizen, de Sierra Club en Friends of the Earth - vinden echter dat de bezwaren het wezen van NAFTA raken en spanden een proces aan tegen "Washington'. Zij hadden geen betere rechter kunnen treffen dan Charles Richey, die sinds 1970 Republikeinse en Democratische regeringen terechtwijst wanneer zij in zijn ogen milieuwetten schenden. Dat was ook nu het geval, oordeelde Richey gisteren: het NAFTA mag pas van kracht worden na een diepgaand onderzoek naar de milieu-effecten.

De voorstanders van het verdrag reageerden, zoals te verwachten, als door een wesp gestoken. De uitspraak brengt immers niet alleen het NAFTA in gevaar, maar betekent ook een nieuw obstakel voor het Wereldvrijhandelsverdrag GATT. Opmerkelijker was ook dat Carol Browner, de minister van milieu, onmiddellijk verklaarde dat haar regering “absoluut aan het NAFTA blijft vasthouden.” Het was ironisch dat zij het standpunt van de regering-Clinton moest verwoorden. Als directeur voor milieuzaken van de staat Florida heeft zij jarenlang vervuilende industrieën de voet dwars gezet. Juist op grond van die ervaring vroeg Clinton haar niet alleen om het Environmental Protection Agency (EPA) te leiden, maar waardeerde hij die post tevens op tot een volledig ministerschap.

Sinds het begin van zijn campagne hebben Clinton en zijn vice-president Al Gore de boodschap uitgedragen dat zij het milieu een warmer hart toedragen dan hun voorgangers. Hoewel Clinton tot nu toe weinig concrete maatregelen heeft genomen, zoals een beperking van de uitstoot van CO of de invoering van een milieuheffing op brandstof, leek hij de laatste tijd toch op stoom te raken. Zo tekende hij enkele weken geleden het internationale verdrag ter bescherming van biologische soorten (dat Bush tijdens de VN-top in Rio van tafel had geveegd). En Al Gore, schrijver van de milieustudie Earth in the Balance, verklaarde twee weken geleden in een vergadering van de VN in New York dat “economische ontwikkeling geen excuus is voor milieuvandalisme”. Hij kreeg er een staande ovatie voor.

Sinds Rio gelooft althans een deel van de wereld in de mogelijkheid van sustainable development ("duurzame ontwikkeling'): economische ontwikkeling die geen milieuschade veroorzaakt, en omgekeerd: het behouden van het milieu zonder de economische groei te belemmeren. Dit lijkt op verschillende manieren paradoxaal. Het vraagt een radicale herziening van het traditionele economisch denken, waarin milieu min of meer als imponderabilium wordt beschouwd. Ten tweede vraagt het een grote lenigheid van geest bij de gelovigen: want juist een toegenomen handel kan geld vrijmaken om te investeren in milieuvriendelijke produktiemethoden, maar daarvoor moeten zij dan wel de gelegenheid scheppen. Na de gerechtelijke uitspraak over het NAFTA is de Amerikaanse regering nu voor het eerst in de gelegenheid te bewijzen of deze paradox oplosbaar is.