Rapport visitatiecommissie: "Sociologie te licht voor de betere student'

DEN HAAG, 1 JULI. Voor de meer genteresseerde en begaafde studenten zijn de universitaire studies sociologie en culturele antropologie te licht.

Tot deze conclusie komt de visitatiecommissie sociologie en culturele antropologie in haar eindrapport, dat vandaag is gepresenteerd. De commissie, onder leiding van prof. A.J.F. Köbben, heeft in opdracht van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten acht faculteiten doorgelicht op de kwaliteit van het onderwijs.

De commissie constateerde wel dat 25 procent van de doctoraalscripties in beide vakken zo goed zijn, dat ze publikatie verdienen. Dertien procent van de eindscripties is daarentegen onder de maat. Docenten geven relatief te hoge cijfers, aldus de commissie.

De laatste jaren loopt het aantal studenten sociologie en culturele antropologie drastisch terug. Daarom hebben veel faculteiten een nieuwe opzet gezocht. Volgens de commissie is dit vaak “verrassend goed” gelukt met de ontwikkeling van diverse “kundes”. Vooral als deze nieuwe studierichtingen betrekking hebben op “beleid”, “organisatie”, “communicatie” of “management”, blijken studenten toe te stromen. Deze nieuwe kundes zijn volgens de commissie nog te nieuw om ze op hun wetenschappelijke gehalte te kunnen beoordelen. Wel is duidelijk dat ze leiden tot vergaande versnippering.

De visitatiecommissie kritiseert het veelvuldig gebruik van hoorcolleges en de te geringe aandacht voor schrijftrainingen. De commissie noemt hoorcolleges “een gebrekkige en primitieve vorm van kennisoverdracht”. Ze vindt dat niet vroeg genoeg met schrijfoefeningen begonnen kan worden. “Reeds in het eerste en anders zeker in het tweede jaar dient daarvoor ruim tijd gemaakt te worden, al was het maar om vroegtijdig studenten op het spoor te komen die op dit punt een totaal onvermogen tonen.”

Kritiek heeft de commissie ook op het ontbreken van een goed systeem van studievoortgangsbewaking. Als faculteiten al zo'n systeem hebben zijn de gegevens vaak onvolledig. De aandacht voor de studiebegeleiding is de laatste jaren wel sterk toegenomen. Het niveau is echter zeer verschillend. Bij studenten bestaat vooral behoefte aan actieve begeleiding in de doctoraalfase.

Over de kansen op de arbeidsmarkt merkt de commissie op dat deze sterk verschillen per studierichting. De arbeidsmarktsituatie van sociologen is “redelijk”, die van cultureel-antropologen “minder gunstig”.