Nat

Het begon als een dag met verspreide buien, zo'n dag dat je voortdurend naar de hemel zit te kijken en denkt dat het lichter wordt.

Na de middag reden we naar het uiterste zuiden, een zandstrandje aan zee. Het regende inmiddels dat het goot. De wereld stond blank.

Henk had muurhagedissen beloofd. Muurhagedissen leven op muren en muurtjes (oorspronkelijk op rotswanden). Hier zitten ze in duintjes. Dit konden wel de mafste muurhagedissen van Europa zijn. Maar natuurlijk niet zo maf om met zulk weer buiten te lopen.

Toch weerklonk het schuiven van een schuifdeur. Een paar jongens hadden besloten te gaan zwemmen. Ze kwamen drijfnat terug.

Daarna werd een plukje wolfsmelk doorgegeven. Er zat een wolfsmelkpijlstaartrups op. Dat ziet eruit als een sterk verkleind treinstelletje van de metro. De kleuren zijn verbluffend hard en muzikaal - psychedelisch, zou ik haast zeggen. Als iemand nog weet wat dat was.

Laat me met rust, zegt de ene rups, ik bén er niet. Dat is de taal van de camouflage. Ik ben er wel degelijk, zegt de tweede rups, en ik ben zo smerig als de hel. Dat is andere taal.

We zaten min of meer verslagen in ons cocon van staal. Roffels op het dak, een zware wasem op de ramen.

Toen gingen we in de Camargue op zoek naar een café.