Mooie textiel in Stedelijk onvoldoende gedocumenteerd

Tentoonstelling: Textiel in het Stedelijk. Tot en met 15 augustus. Arts et Métiers. T/m 22/8 in Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat 13 in Amsterdam. Dagelijks 11-17.

In persoonlijke voorkeuren, aankoopbeleid en bedrijfsvoering mogen de twee vroegere directeuren van het Stedelijk Museum in Amsterdam verschillen van hun huidige collega, de afgelopen weken hebben ze eendrachtig meegewerkt aan een expositie van textielkunst. De Amerikaanse Sheila Hicks vroeg aan De Wilde, Beeren, Fuchs en andere vrienden een geliefd kledingstuk af te staan voor haar installatie "Family Treasures'. Ieder kledingstuk transformeerde Hicks tot een keurig rond of vierkant bundeltje, bij elkaar gehouden door een draad. De pakketten, resultaat van deze ongewone recycling, liggen op een houten tafel in het Stedelijk, schilderachtig gerangschikt naar kleur en formaat. Het project is gloednieuw en ontbreekt dus in de dit voorjaar verschenen publikatie van Liesbeth Crommelin, Textiel in het Stedelijk. In aansluiting op het boek exposeert het museum tot half augustus in de Nieuwe Vleugel een keuze uit het textielbezit.

Een van de oudste wandkleden is dat van Le Corbusier, in 1951 in het Franse tapijtcentrum Aubusson geweven. Op zijn ontwerp beeldde de architect twee flessen af, een onderwerp dat met aardewerkpotten en ander alledaags keukengerei ook op zijn puristische schilderijen uit de jaren twintig is te zien. Maar Le Corbusier trok bij deze Deux bouteilles et Cie niet echt profijt van het wollen materiaal. Het vlakke wandkleed is niet meer dan een nageweven schilderij.

Jagoda Buic gebruikte voor haar Reflets blancs ook wol, maar voor dit forse kleed (220 x 250 cm) is textiel het uitgekiende materiaal. Een groot ovaal, bestaande uit witte banden, een soort beweeglijke lamellen, maakt zich los uit de eveneens witte achtergrond. Het reliëf van de lamellen veroorzaakt een steeds wisselend schaduwspel.

Op de bovenverdieping aan de Van Baerlestraat hangt het imposante Zwart Kleed uit 1968 van Magdalena Abakanowicz, een enorme mantel van bruin-zwart sisal vol met uitstulpingen en spleten. Het antropomorfe object werkt vreemd genoeg bedreigend én beschermend. Abakanowicz' textielkunst sloeg destijds in als een bom en verloste de brave tapisserie met zijn kruissteekjesimago uit het enge domein van de toegepaste kunst. Wandkleden verloren hun traditionele tweedimensionaliteit en evolueerden of emancipeerden tot ruimtelijke sculptuur. Nu, 25 jaar na dato, neemt het kleed van Abakanowicz het met zijn elementaire kracht nog gemakkelijk op tegen de latere aankopen van het Stedelijk, hoe fraai die vaak ook zijn.

Tegelijk met het textiel toont het Stedelijk combinaties van beeldende kunst én toegepaste kunst onder de verder niet toegelichte titel: Arts et Métiers. Het is in het tentoonstellingswezen tegenwoordig gewoonte in één ruimte kunstwerken bijeen te brengen die in onderwerp, techniek of stroming goed bij elkaar passen of - het tegendeel daarvan - op die punten sterk contrasteren. In museumjargon "gaan ze dan een dialoog aan'.

Dat contrastprincipe lijkt in de eerste zaal van Arts et Métiers gehanteerd te zijn. Gerrit Rietvelds "militaire' stoelen uit 1923 bevinden zich daar in gezelschap van twee schilderijen van August Allebé uit 1870: Museumbezoek en Oude Zaalwachter. Het museum van Allebé staat vol met afgietsels van klassieke beelden, onder meer van de Venus van Milo. Zoiets doordeweeks als een houten stoel was absoluut niet museumfähig. Voor een huiselijk element zorgt de zaalwachter die met een plumeau onder zijn arm voorbijsloft, maar voor het overige is alles Kunst met een hoofdletter.

Het jaar 1923 komt bij Arts et Métiers vaker terug. In de laatste zaal staat, naast een tapijt dat Jaap Gidding voor het Tuschinski-theater ontwierp, een sprookjesachtig, verguld houten hert uit 1923 van Zadkine. Het portret dat Kees van Dongen datzelfde jaar schilderde van de elegante Comtesse de Noailles, een monumentale klok van Eissenloeffel en een vaas van de vrijwel vergeten edelsmid J. Kriege versterken de luxueuze en exotische sfeer in deze ruimte.

Het museum stelde de beide exposities samen in het kader van de zomeropstelling van de eigen collectie. Een zomeropstelling vergt geen dure bruiklenen met hoge transport- en verzekeringskosten: het zijn de eigen depots die worden aangesproken. Daar is niets op tegen. Maar een greep in de eigen collectie ontslaat de organisatoren niet van de plicht voor voldoende informatie te zorgen. Te vaak ontbreken bij deze twee exposities gegevens over het toegepaste materiaal, het jaar van ontstaan of de naam van de kunstenaar. In het laatste Bulletin van het Stedelijk verklaart Rudi Fuchs dat de eigen collectie "een hoofdmoment' in het museum wordt. Dat doet hij in een interview naar aanleiding van de tentoonstelling Het Materiaal. Als de eigen collectie van toegepaste kunst ook zo'n "hoofdmoment' wordt, mag dat moment dan behoorlijk gedocumenteerd worden?