Minderheden

Tien jaar geleden verscheen de Minderhedennota. Doel van de overheid was de minderheden te integreren in de Nederlandse samenleving. De nadruk lag op het inlopen van hun achterstand op de arbeidsmarkt en in het onderwijs. In de onlangs verschenen Sociale en Culturele Verkenningen komt het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) tot de conclusie dat het beleid tot dusver weinig succes heeft gehad.

Onder minderheden verstaat het SCP groepen die een gemeenschappelijke etnisch-culturele achtergrond hebben èn een lage sociale positie innemen. In 1990 ging het daarbij om 814.000 personen. Dat is 5,5 procent van de totale bevolking. De vier grootste groepen zijn: Surinamers (29 procent van de minderheden), Turken (25 procent), Marokkanen (21 procent) en Antillianen/Arubanen (10 procent).

Toen de Minderhedennota uitkwam, was de arbeidsmarktpositie van minderheden ronduit slecht. En daarin is in de afgelopen tien jaar geen verandering gekomen. Dat blijkt in de eerste plaats uit de werkloosheidscijfers. De werkloosheid in Nederland daalde na 1983 sterk. Dat geldt ook voor die van de minderheden. Maar in verhouding tot autochtonen komen de minderheden er nog steeds slecht vanaf. Het werkloosheidspercentage onder autochtone mannen lag in 1991 op 4 procent. De minderhedencijfers: Turkse mannen (19 procent), Marokkanen (23 procent), Surinamers (18 procent) en Antillianen (22 procent). Voor de vrouwen zijn de verhoudingen vergelijkbaar. De achterstand op de arbeidsmarkt blijkt ook uit de aard van het verrichte werk. Minderheden hebben meestal banen waarvoor weinig of geen scholing is vereist. Dat geldt vooral voor Turken en Marokkanen. Van de Turkse werkende mannen heeft 74 procent een baan waarop de kwalificatie "eenvoudig tot zeer eenvoudig' van toepassing is. Het percentage voor de Turkse vrouwen ligt zelfs nog hoger (80 procent). Die nadruk op ongeschoolde arbeid is minder hoog bij Surinaamse mannen (34 procent) en Antillianen (37 procent). Maar vergeleken met autochtone mannen (25 procent) zijn ook die scores niet opwekkend.

Voor de omvangrijke werkloosheid onder minderheden kunnen verschillende verklaringen worden gegeven. In de eerste plaats groeit de groep allochtonen, voor het grootste deel door immigratie, een stuk sneller dan de autochtone bevolking. Tussen 1988 en 1991 nam de werkgelegenheid onder de vier grootste groepen minderheden toe met 36.000 personen. Maar doordat het aantal werkzoekenden ongeveer even sterk steeg, bleef een forse daling van de werkloosheid uit. In de tweede plaats zou discriminatie een rol kunnen spelen. De meeste Nederlandse werkgevers blijken bij het vervullen van vacatures de voorkeur te geven aan autochtone sollicitanten. En in de derde plaats is de vraag naar ongeschoold personeel sterk teruggelopen. En daar zit juist het zwakste punt bij de allochtonen: zij zijn slecht opgeleid.

Dat geldt vooral voor Turken en Marokkanen. Van de Turkse mannen tussen de 15 en 65 jaar heeft 72 procent hoogstens het lager onderwijs afgemaakt. Voor Marokkaanse vrouwen ligt het percentage nog ongunstiger: 78 procent. Het onderwijsniveau van Surinamers en Antillianen is aanmerkelijk hoger. Voor 25 procent van de Antilliaanse mannen was lager onderwijs het eindstation. Een cijfer dat niet veel hoger ligt dan dat voor autochtone Nederlanders (19 procent). Een lichtpuntje is dat de jongeren onder de minderheden in het algemeen beter geschoold zijn dan hun ouders. Maar toch nog steeds een stuk slechter dan hun autochtone leeftijdsgenoten. Die achterstand blijkt al op de basisschool: zowel de taal- als de rekenprestaties van de minderheden liggen onder het gemiddelde. Vooral daardoor kiezen zij meer voor lager vervolgonderwijs dan autochtone leerlingen. Van de minderheden komt 50 procent terecht in het lager beroepsonderwijs (autochtonen 27 procent).

Tien jaar minderhedenbeleid heeft dus niet geleid tot een verbetering van de arbeidsmarktpositie van minderheden. Voor een deel is dit volgens het SCP te wijten aan het te vrijblijvende karakter van de genomen maatregelen. De tijd is rijp voor een beetje dwang. Het SCP pleit er voor de druk op werkgevers te vergroten. Zij moeten worden verplicht om regelmatig verslag uit te brengen over hun personeelssamenstelling. En voor zover dat extra banen oplevert voor minderheden, zouden werkloze allochtonen verplicht moeten kunnen worden aan scholingsprogramma's deel te nemen om de beschikbare vacatures te kunnen vervullen.

Dat het door het SCP voorgestelde beleid in de komende jaren leidt tot een daling van de werkloosheid onder minderheden, lijkt mij twijfelachtig. De meeste Turken en Marokkanen zijn werkzaam in de industrie. En juist in die sector loopt de werkloosheid snel op. Voor de jongere generaties is er minder reden tot somberheid. Tenminste, als de overheid erin slaagt hun onderwijsprestaties te vergroten. De onderwijsachterstand van leerlingen uit minderheidsgroepen komt al naar voren bij het begin van de basisschool. Oorzaken: gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal en andere schoolse vaardigheden. Om dit probleem op te lossen is een landelijke aanpak nodig, waarbij aandacht wordt gegeven aan zaken als: goed onderwijs in het Nederlands als tweede taal, vergroting van de woordenschat en een programma waarbij achterstanden tijdig kunnen worden gesignaleerd en verholpen.