Lacunes in voorstellen Jurgens over persvrijheid

Al vanaf het moment waarop, begin 1992, hoogleraar staatsrecht mr. E.C.M. Jurgens, lid van de Tweede Kamer, een voorontwerp van wet publiceerde op het journalistiek privilege, bestond er scepsis over de noodzaak ervan. Vooral onder journalisten. Een vakman als Victor Lebesque, journalist en jurist, vond een wet overbodig omdat de journalist mag rekenen op “het vermogen van de rechter om te beslissen wat het zwaarst weegt, de waarheidsvinding of het belang van de vrije nieuwsgaring”.

De journalist Herman van Run, toen hoogleraar aan de Erasmus Universiteit, was wel voorstander van een wettelijke regeling om inbeslagneming van journalistiek materiaal aan banden te leggen, maar niet van een in de wet vastgelegd recht voor de journalist om zijn bronnen te verzwijgen. En de president van de Amsterdamse rechtbank, mr. B.J. Asscher, dacht er net zo over.

Toch heeft Jurgens doorgezet en nu een initiatiefontwerp ingediend dat, net als zijn voorontwerp, sterk is gebaseerd op het proefschrift uit 1989 van Willem F. Korthals Altes, later uitgewerkt in diens boek "Naar een journalistiek privilege' (Otto Cramwinckel Uitgever, Amsterdam 1990).

Uit journalistiek oogpunt is het, meen ik, het interessantst om na te gaan in welke gevallen waarin van ons werd geëist onze bron te onthullen, het voorstel van Jurgens, als het wet wordt, bescherming biedt die er nu niet is.

Het aantal gevallen waarin zich dat heeft afgespeeld is overigens niet overweldigend: Jurgens noemt er in zijn memorie van toelichting tien tussen 1852 en 1988.

Maar het zijn wel iedere keer gevallen waarin voor de journalist belangrijke zaken aan de orde komen als geloofwaardigheid, betrouwbaarheid, afweging van de plichten als staatsburger tegen die van de uitoefening van zijn beroep.

Bovendien, als het conflict tussen het belang van de zogenaamde waarheidsvinding en de vrijheid van nieuwsgaring door de rechter in het nadeel van de journalist wordt beslist, kan het hem zijn vrijheid kosten of een dwangsom. Wat voor de laatste keer is voorgekomen in de "kwestie-Nootdorp' in 1989. Want voor de journalist gaat het niet om waarheidsvinding versus persvrijheid, maar om beroepsethiek (een belofte van geheimhouding niet schenden) versus een burgerplicht. Weegt hij die belangen verkeerd af dan kan hem dat in het uiterste geval een opsluiting opleveren met het doel hem zijn informatie wel te laten onthullen.

Weliswaar stelde Van Run in 1991 dat de journalist over zo'n gijzeling niet moet zeuren, want hij krijgt er toch maar landelijke bekendheid mee, maar dat vind ik een nogal oneigenlijk argument. Er moeten betere manieren zijn om dat doel te bereiken.

Hoe dan ook is er weinig verschil van mening over het nut van de nu voorgestelde bepalingen dat “bij een journalist, tenzij met zijn toestemming, geen geschriften of andere gegevensdragers in beslag (mogen) worden genomen die uitsluitsel kunnen geven over de herkomst van aan hem met het oog op openbaarmaking toevertrouwde informatie”.

De woorden "met het oog op openbaarmaking' zijn hier essentieel. Daarmee voorkomt Jurgens discussies over de vraag wie als journalist moet worden beschouwd. Want als die vraag eenmaal wordt gesteld, komt al gauw een vergunningsstelsel voor journalisten om de hoek kijken. En welke autoriteit geeft dan de vergunningen uit - of trekt ze in?

Als het uitgangspunt is, dat de informatiestroom zo weinig mogelijk moet worden belemmerd, kan iedereen bijdragen aan die informatiestroom leveren. Een toevallig passerende burger is net zo gerechtigd informatie over een gebeurtenis te verschaffen als de beroepshalve daarheen gestuurde journalist. Vandaar dat een mededeling van de bedoeling tot openbaarmaking al voldoende moet zijn om de gaarder van de informatie het recht te verlenen een beroep te doen op het door Jurgens voorgestelde journalistiek privilege.

Deze bepaling wordt aangevuld met één die verbiedt dat bij een journalist voorwerpen in beslag worden genomen waarop gegevens zijn vastgelegd die hij heeft vergaard - weer: met het oog op openbaarmaking - op een voor het publiek toegankelijke plaats. Daarmee komt dus een einde aan de toenemende gewoonte van justitie om per dagvaarding foto's, films, banden op te eisen die de journalist heeft opgenomen om zijn reportage of bericht te maken of te illustreren en die vervolgens door justitie worden gebruikt als bewijsmateriaal bij een rechtszaak.

Toch schuilt ook in deze formulering van "met het oog op openbaarmaking' een mogelijk probleem. De beroepsjournalist zal zich er gemakkelijker op kunnen beroepen dan een toevallige voorbijganger die - bijvoorbeeld - met zijn videocamera heeft vastgelegd hoe een agent van politie een demonstrant afroste. Die burger moet dan, als de politie zijn band in beslag wil nemen, zo gis zijn om te roepen dat hij het doet om het aan een tv-journaal ter beschikking te stellen.

Het andere en in de journalistiek dus minder noodzakelijk geachte aspect van het ontwerp gaat over het recht van de journalist om geen “getuigenis te geven of vragen te beantwoorden over de herkomst van aan hem met het oog op openbaarmaking toevertrouwde informatie”.

Als dat eerder zou hebben gegolden, zou het hebben betekend dat de Haagse journalist C.L. Hansen die in december 1937 in Het Vaderland de notulen publiceert van de Haagse gemeenteraad, door de rechter niet in het ongelijk kan worden gesteld als hij niet wil onthullen welke ambtenaar de gemeentewet heeft overtreden door hem die gegevens te verschaffen. En datzelfde geldt voor H.A. Lunshof die in 1947 de geheime notulen publiceert van de onderhandelingen van Lingadjatti.

En hoe zou dan, als dit ontwerp al wet was geweest, de bekende KGB-affaire zijn verlopen? Dat was de zaak waarin PSP-Kamerlid Bram van der Lek door de dagbladen de Stem en De Limburger werd genoemd als iemand die op de lijst zou staan van min of meer vooraanstaande Nederlanders die in Nederland als agenten zouden opereren van de KGB. Beide hoofdredacteuren beriepen zich op de belofte hun bron geheim te houden en werden veroordeeld tot betaling van een dagelijkse boete, tot het moment waarop ze hun geheimhouding zouden noemen. Uiteindelijk heeft Van der Lek die ban opgeheven, omdat hij de straf zwaar genoeg vond.

In Jurgens' opvatting zou in dit geval de rechter betrokkenen, omdat ze niet in staat waren de beschuldiging te bewijzen, hebben veroordeeld tot een rectificatie (hetgeen die rechter overigens ook vóór dit ontwerp had kunnen doen).

Jurgens scherpt dat in zijn ontwerp nog wat aan door te zeggen dat het privilege van de journalist om geen informatie te verschaffen over zijn bron niet van toepassing is “indien daardoor aan een zwaarwegend maatschappelijk belang een onevenredig grote schade zou worden toegebracht”. Ondanks het feit dat daar niet staat "zou kunnen worden toegebracht', schept deze bepaling toch weer onzekerheid. En dat is het zwakste punt van het voorstel dat het Kamerlid doet.

De indiener noemt als zodanig de verplichting tot aangifte van geplande misdrijven, misdrijven tegen de veiligheid van de Staat, zware geweldsdelicten en onrechtmatige vrijheidsberoving. Daarnaast, zegt hij, kan worden gedacht aan ernstige milieumisdrijven.

In al die gevallen ligt de bewijslast echter bij de officier van justitie. Die moet aantonen dat het belang van de zaak zo groot is, dat de journalist niet mag zwijgen. Want een absolute scheiding tussen het functioneren in het beroep en dat als staatsburger, is niet goed mogelijk; hier moet uiteindelijk toch de rechter een oordeel vellen.

Daarbij moet er, wil het ontwerp-Jurgens zin hebben, ook niet te veel ruimte bestaan voor de rechter om de uitzonderingen zo uit te leggen dat het journalistiek privilege vrijwel geen betekenis heeft. Een nadere omschrijving van de casustiek die daarbij aan de orde komt, is gewenst vóór het ontwerp kracht van wet krijgt.