Koele leegte omringt verhitte Judas in leer

Voorstelling: Jesus Christ Superstar, musical van Tim Rice en Andrew Lloyd Webber. Spelers: Paul Blankenship, Ray Walker, Grania Renihan, e.a. Orkest o.l.v. David Cullen. Toneelbeeld: Paul Staples. Regie: Hugh Wooldridge. Gezien: 30/6 in AT&T Danstheater, Den Haag. Aldaar t/m 11/7.

Toen de als rock musical geannonceerde Jesus Christ Superstar in première ging, in 1971, kon de aankleding gemakkelijk historiserend zijn en tegelijk actueel: de haren hingen destijds lang en sluik langs het hoofd en de soepjurken pasten toen eveneens in het modebeeld. Het waren de tijden dat Jezus Christus eigenlijk ook een hippie was - en de superstar-status die Tim Rice en Andrew Lloyd Webber hun hoofdpersoon gaven, sloot perfect aan bij de idolatrie die coryfeeën als John Lennon en Jim Morrison ten deel viel.

Gaandeweg, in latere produkties, begon de show af en toe op een gedateerd bidprentje te lijken. Maar nu heeft de Duitse producent Wolfgang Bocksch, grossierend in Europese toernee-produkties met Amerikaanse spelers, een nieuwe Jesus Christ Superstar in elkaar laten zetten, waarin het beeld naar de jaren negentig is getrokken. De speelvloer oogt als een disco, met een geavanceerd lichtplan, en het geluid neigt naar techno-pop, een door synthesizers voortgedreven geluid waarbij alle muziek en alle zangstemmen tot het uiterste worden versterkt. Het ensemble is bovendien overwegend gehuld in witte fitness-tenuetjes, behalve Judas die in zwart leer optreedt, terwijl Jezus - och arme - toch weer die jurk aan moest en alleen tijdens het laatste avondmaal een crème-kleurig, double breasted-kostuum mag dragen. De rock musical is, in de nieuwe regie van Hugh Wooldridge, een disco musical geworden.

Daar is op zichzelf niets tegen. Maar tegelijk met de traditionele aankleding is ook het drama uit de show verdwenen. De solisten richten zich met hun handmicrofoons voornamelijk tot de zaal en zelden tot elkander. Enkele van de grootste conflicten zijn, tot overmaat van ramp, gesitueerd op een plateau dat niet alleen hoog boven iedereen is verheven, maar ook achterop het toneel is opgesteld. Het resultaat is afstand, koelte, leegte. Daarbij leidt het teveel aan geluidstechniek en het gebrek aan zangtechniek tot een grote mate van onverstaanbaarheid, met een monotone begeleiding van dreunend plaatstaal die alle nuanceringen weghaalt uit de uiteenlopende muziekstijlen van Lloyd Webber.

Het ensemble blinkt niet uit in individuele prestaties. Alleen de aan hysterie grenzende vocalen van Judas vormen een uitzondering op de plichtmatige sfeer die deze produktie uitstraalt. Hij, de verrader, kreeg gisteravond het meeste applaus. Waar hij zich zo over opwond, bleef echter onduidelijk.