Hoge rente geen oorzaak recessie; Bankdirecteur Wellink bepleit aanpassing overheidsfinanciën

AMSTERDAM, 1 JULI. Een rentedaling heeft slechts een gering effect op de bestrijding van de recessie. Van groter belang zijn versoepeling van de arbeidsmarkt, hervorming van de sociale zekerheid en vermindering van het financieringstekort.

Dit zegt prof.dr. A.H.E.M. Wellink, directeur van De Nederlandsche Bank, in een gesprek met NRC Handelsblad.

“De hoge rente kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor de Europese recessie”, meent Wellink. Hij verklaart de populariteit van de rente als "boosdoener' uit de onjuiste opvatting onder politici dat de rente “pijnloos” kan worden verlaagd. Daarentegen weten politici goed dat “aanpassingen van de overheidsfinanciën pijn doen”.

Ook in de jaren tachtig was sprake van hoge rente zonder de economische groei te belemmeren. Het grote verschil is dat Duitsland toen zijn overschotten aan de rest van Europa beschikbaar stelde, maar dat deze kapitaalstroom na de Duitse vereniging van 1990 is verlegd om de wederopbouw van Oost-Duitsland te financieren.

Wellink verdedigt het belang van een onafhankelijk monetair beleid dat zich niet laat benvloeden door economische schommelingen. Door de korte rente hoog te houden, zoals in West-Europa sinds 1990 het geval is, bereiken de centrale banken dat de financiële markten vertrouwen op lage inflatie. Daardoor kan de rente op de kapitaalmarkten - die van direct belang is voor investeringen en hypotheken - dalen. In die zin draagt het hoge rentebeleid van de centrale banken juist bij aan verbetering van het economische klimaat, betoogt hij.

Nu twee kwartalen achter elkaar sprake is van een krimpende economie verkeert Nederland volgens de gangbare definitie in een recessie. De groei is al sinds 1990 bezig af te nemen: “Het is geen diepe, wel een langdurige recessie”, meent Wellink. Volgens de graadmeters voor de conjunctuur van De Nederlandsche Bank zal de recessie tegen oktober zijn dieptepunt bereiken, maar het is niet duidelijk of daarna een snel herstel zal inzetten.

Instemmend haalt Wellink oud-bankpresident Zijlstra aan, die eens gezegd heeft dat op gezette tijden een recessie nodig is om iedereen te laten beseffen dat de koeien niet alleen in de hemel grazen en op aarde gemolken worden.

Anderhalve maand geleden hield Wellink een opmerkelijke lezing over de economische en monetaire betrekkingen tussen Nederland en Duitsland. Vrij samengevat zei Wellink dat als Duitsland niest, Nederland een stevige verkoudheid oploopt. Zo'n driekwart van de conjuncturele beweging in Duitsland wordt binnen een halfjaar door Nederland overgenomen.

Voor herstel is Nederland dus aangewezen op de ontwikkelingen in Duitsland. Daar staat volgend jaar een verbetering te wachten, voorspellen de economische modellen. Na de daling van de Duitse economie met 2,5 procent in 1993 wordt voor 1994 gerekend op een groei van een half tot één procent. Van deze omslag van drie procentpunten werkt 40 procent rechtstreeks door op Nederland, zodat Nederland volgend jaar een groei van 1 à 1,5 procent kan verwachten volgens de modellen van De Nederlandsche Bank.

Nederland wordt meegesleept in de laatste golf van de recessie die eind jaren tachtig in de Verenigde Staten is begonnen en met vertraging is overgeslagen naar Europa. Op het Europese continent werd het effect nog enige tijd gemaskeerd door de opleving die werd veroorzaakt door de Duitse vereniging in 1990. Maar nu de impuls daarvan is weggevallen, is de teruggang onontkoombaar.

“De Nederlandse economie is in Europees verband te klein om er veel zelf aan te doen”, meent Wellink. Nederland dobbert mee. Volgens de bankdirecteur heeft Nederland zich overigens lang staande gehouden: dank zij de verbetering van de winstgevendheid van het bedrijfsleven in de jaren tachtig staat de werkgelegenheid pas dit jaar onder druk. Maar nu gaat het hard: “Als het waterpeil zakt, komen de wrakken boven water”, filosofeert Wellink.

Hij wijst op beleidsfouten uit de jaren tachtig, toen naar zijn mening de lange periode van groei onvoldoende is gebruikt om structurele zwakheden in de Europese economieën aan te pakken. Er was groei, er kwamen nieuwe banen bij, en dat verhulde structurele tekortkomingen. Nu blijkt volgens Wellink dat het "Europese model', net als het communistische stelsel eind jaren tachtig, “bezig is in elkaar te klappen”. Groei van de werkgelegenheid in de particuliere sector is veel te lang verwaarloosd in Europa. Wellink: “De starheid van de arbeidsmarkt, uitgebleven structurele sanering van de overheidsfinanciën en de hoge sociale zekerheidsuitgaven zijn belangrijker dan de rente als verklaring voor de economische stagnatie.”

Pag 16: Runeuze ontwikkelingen in EG-landen

De DNB-directeur wijst op twee “runeuze ontwikkelingen” in de Europese Gemeenschap: de gebrekkige werking van de arbeidsmarkt en de stijging van de overheidstekorten. Als percentage van het bruto binnenlands produkt ligt het begrotingstekort van alle EG-landen nu op het hoogste niveau sinds de oprichting van de EG, 35 jaar geleden. Nog verontrustender is de snelheid van de stijging sinds eind jaren tachtig. In enkele jaren hebben landen overschotten zien omslaan in tekorten: Duitsland als gevolg van de hereniging, maar ook Groot-Brittannië en Frankrijk. “Daar is het goed mis”, zegt Wellink. Vergeleken met de rest van de EG doet Nederland het niet zo slecht, meent hij.

Bovendien is ondanks tien jaar economische groei de omvang van de staatsschuld als percentage van het BBP nu 15 procent hoger dan aan het begin van de jaren tachtig. Ook Nederland heeft de groei van de staatsschuld nog steeds niet omgebogen.

In dit verband wijst Wellink verwijten van de hand dat de criteria van "Maastricht', de normen voor de omvang van het begrotingstekort die zijn vastgelegd voor toekomstige deelname aan de Economische en Monetaire Unie, de recessie veroorzaakt zouden hebben. Deze criteria - een financieringstekort van maximaal drie procent van het bruto binnenlands produkt en een staatsschuld van maximaal 60 procent van het BBP - weerspiegelden het gemiddelde in de EG van eind jaren tachtig. Sindsdien zijn zowel de tekorten als de staatsschuld opgelopen terwijl de recessie om zich heen greep. “We moeten absoluut weer terug naar de criteria van Maastricht”, zegt Wellink met stelligheid. “Als er niet snel iets gebeurt, dan kost het weer tien tot vijftien jaar voordat de EG-landen hun zaken op orde hebben.”

Ook over de omvang van het Nederlandse begrotingstekort maakt Wellink zich zorgen. Tot dit jaar hield het kabinet vast aan terugdringing van het tekort, maar geconfronteerd met de recessie is het "tijdpad' van het regeerakkoord losgelaten. Dit voorjaar beweerde minister van financiën Kok nog dat in 1994 de EMU-norm van een financieringstekort van drie procent van het BBP gehaald zal worden, maar dat doel zal niet bereikt worden. Door de recessie vallen de belastingopbrengsten tegen en daardoor neemt het financieringstekort toe. “Nederland komt in 1994 boven de EMU-norm”, zegt Wellink.

Hij wil de schade zoveel mogelijk beperken: “Ook bij extra tegenvallers moet het kabinet voor volgend jaar vasthouden aan discipline bij de uitgaven en het ombuigingspakket van dit voorjaar - oplopend tot 1998 9,2 miljard gulden - onverkort uitvoeren. Verder moet "structurele dekking' voor de zachte bezuinigingen in 1994 worden aangegeven. Belastingtegenvallers moeten bij voorkeur in 1994 worden opgevangen. Maar als dat niet lukt, moeten ze in ieder geval in het pakket ombuigingen tussen nu en 1998 verwerkt worden.”

Wellink ziet niets in Nederlands stimuleringsbeleid door het tekort te laten oplopen of de belastingen te verlagen zonder gelijktijdige bezuinigingen op de uitgaven. “Ik ben niet onder de indruk van argumenten dat het op orde houden van de overheidsfinanciën in een tijd van recessie een schop tegen de economie in de verkeerd richting is”, zegt hij. “Het werkt destabiliserend en veroorzaakt alleen maar onheil.” Retorisch vraagt hij zich af welk land in Europa de groei kan aanzwengelen: Groot-Brittannië, Duitsland, Frankrijk of Italië zijn, gezien de deplorabele staat van hun overheidsfinanciën, uitgesloten. Nederland dan? “Nederland kan de Europese economie niet in zijn eentje opjutten. Bovendien lekken hier impulsen direct weg naar andere landen.”