Geen aanwijzingen voor broeikaseffect op Zuidelijk Halfrond

Onderzoekers van de universiteiten van Arizona en Colorado hebben gemiddelde zomertemperaturen afgeleid uit jaarringen van bomen in het zuiden van Zuid-Amerika.

Zij gebruikten hiervoor de naaldboom Fitzroya cupressoides op de westelijke hellingen van de Andes in het zuiden van Chili. Door het onderling vergelijken van jaarringpatronen bij levende en dode exemplaren konden de onderzoekers tot 3622 jaar terug in de tijd gaan. De dikte van de jaarringen werd vervolgens, na ijking met de uit deze eeuw bekende meteorologische gegevens, omgerekend naar gemiddelde zomertemperaturen.

Over het verloop van de temperatuur in het verleden op het zuidelijk halfrond heeft men (vergeleken met die op het noordelijk halfrond) nog maar weinig informatie. Toch is deze van groot belang voor ons inzicht in het mondiale klimaatsysteem. Verschillen tussen het klimaat op het noordelijk en het zuidelijk halfrond kunnen belangrijke aanwijzingen geven over het mechanisme dat ten grondslag ligt aan wereldwijde (al dan niet door de mens veroorzaakte) klimaatsveranderingen.

Uit het jaarring-onderzoek blijkt dat er in het betreffende gebied perioden zijn geweest waarin de gemiddelde zomertemperatuur enkele eeuwen lang toe- of afnam en perioden waarin die temperatuur rond het langjarige gemiddelde bleef schommelen. De langste periode met zomertemperaturen boven het gemiddelde was die tussen 80 vC en 160 nC. Lange perioden met temperaturen onder het gemiddelde waren die tussen 300 en 470 en tussen 1490 en 1700 (Science 260, p. 1104).

De jaarring-gegevens wijzen verder op een afkoeling tussen 1920 en 1935 en tussen 1960 en 1972 en op schommelingen rond het gemiddelde van 1971 tot 1987 (het laatste gemeten jaar). Er zijn géén aanwijzingen voor een geleidelijke temperatuurstijging sinds 1900, zoals die is gemeten op enkele weerstations op het puntje van Zuid-Amerika en in andere gebieden op het zuidelijk halfrond (zoals Indonesië). Ook de warmere periode tussen 1080 en 1250 en de twee koudere perioden van 1270-1380 en 1570-1670 (toen men in Europa een "Kleine IJstijd' had) waren niet in de jaarring-temperaturen terug te vinden.

Het nu gereconstrueerde temperatuurverloop van 3622 jaar is thans het langste met jaar-nauwkeurigheid op basis van jaarringen. Iets anders dat uit het onderzoek blijkt is dat de naaldboom Fitzroya cupressoides meer dan 3600 jaar oud kan worden. Dit maakt deze boom de op één na oudste ter wereld. Alleen de "bristlecone pine' (Pinus longaeva) uit Noord-Amerika, eveneens een naaldboom, kan nog iets ouder worden.