FRITS PEUTZ IN HEERLEN; De luifel maakt een mooi welkomstgebaar

Het stadhuis van Heerlen, classicistisch en modernistisch tegelijkertijd, is een van de meest intrigerende gebouwen van Nederland. Toch geniet ontwerper Frits Peutz weinig bekendheid. Ter gelegenheid van de Dag van de Architectuur een rondwandeling langs de werken van Peutz

Volmar Delhey: Stadswandeling architectuur in Heerlen 1850-1940. Verkooppunten Thermenmuseum en VVV Heerlen. Prijs ƒ 6,95

Architectuurkaart van Heerlen. Uitg. Stichting OASE Delft, Postbus 3195 2601 DD Delft. Ook te koop bij de VVV Heerlen. Prijs ƒ 8,95

Bijna twintig jaar na zijn dood gaat het goed met de architect Frits Peutz (1896-1974). In 1981 schreef de criticus Geert Bekaert nog dat Peutz in de Nederlandse architectuurgeschiedenis niet bestond, inmiddels heeft de architect er voorzichtig zijn intrede gedaan. Zijn plaats is nog bescheiden, maar verschillende van zijn werken in Heerlen en de rest van Zuid-Limburg zijn opgenomen in de Gids voor moderne Nederlandse architectuur. Ook in de vorig jaar verschenen gids met een stadswandeling door Heerlen en een architectuurplattegrond van de stad worden de ontwerpen van de bouwmeester vermeld.

Het door Peutz ontworpen raadhuis uit 1942 komt in alle drie de gidsen voor. Dat is niet meer dan vanzelfsprekend - het is ten slotte een van de meest intrigerende twintigste-eeuwse bouwwerken in Nederland. Door zijn eenvoudige geometrische vormen, gladde muren, asymmetrische gevel en platte dak bestaat de verleiding om het Heerlense stadhuis in te delen bij het Nieuwe Bouwen. Maar daarvoor is de dubbele zuilenorde die aan de zijkant uit de gevel breekt te nadrukkelijk aanwezig. De zuilen voldoen weliswaar niet aan de klassieke regels - ze zijn te bol en te lang en ze hebben ongebruikelijke kapitelen - maar Peutz heeft ze toch niet als flauwe, proto-postmoderne grap bedoeld. Ze zijn niet alleen een twintigste-eeuwse verwijzing naar het Romeinse verleden van Heerlen, maar ook naar het classicisme dat het stadhuis heeft doordrenkt. De gulden snede bijvoorbeeld speelt een belangrijke rol in de maten van het gebouw en in de plaatsing van de ramen.

Peutz' stadhuis zou niet hebben misstaan in het fascistische Italië waar rationalistische architecten als Terragni en Libera ook streefden naar een classicistisch modernisme. Vooral het balkon van het stadhuis geeft het gevoel alsof Mussolini er elk moment kan opduiken om welwillend een aubade van de Heerlense bevolking aan te horen.

Hoe schitterend Peutz' stadhuis is, blijkt uit de naburige, in 1985 voltooide bibliotheek van Jo Coenen, een van de beste hedendaagse Nederlandse architecten. De cilinder van Coenens gebouw lijkt op het eerste gezicht een gepast antwoord op de hoekigheid van het raadhuis en is misschien een verwijzing naar de nooit uitgevoerde ronde kerk die Peutz op deze plek had gedacht. Overal elders zou de bibliotheek een geslaagd voorbeeld van hedendaagse architectuur zijn, maar hier steekt het gebouw, vooral door de detaillering en het materiaalgebruik, toch wat bleek en grof af bij het stadhuis.

Het stadhuis is Peutz' meesterwerk, waarin de twee kanten van zijn oeuvre - het traditionalisme en het modernisme - gelijkwaardig zijn en versmelten tot één verbluffend geheel. In zijn andere gebouwen overheerst meestal een van de twee kanten. Het traditionalisme voert de boventoon in zijn vroege werk en de vele kerken die hij bouwde; het modernisme spreekt luider in zijn winkels, scholen en huizen uit de jaren dertig.

Zijn Retraite-huis Mgr Schrijnen voor katholieke vrouwen uit 1934 bijvoorbeeld, dat tegenwoordig in gebruik is als Hogeschool voor Theologie en Pastoraat, valt zonder meer in de categorie het Nieuwe Bouwen. Maar dan wel in subcategorie "uitzonderlijke klasse'. Kan men van het stadhuis nog denken dat het de architectuurgeschiedenisboeken niet heeft gehaald omdat het ongrijpbaar is - en dus tot obscuriteit veroordeeld - van het Retraitehuis is het onbegrijpelijk dat het zo onbekend is gebleven. Er zijn in Nederland niet veel sprankelender voorbeelden te vinden van het Nieuwe Bouwen. Net als het raadhuis maakt het Retraitehuis duidelijk wat Peutz bedoelde toen hij de architectuur vergeleek met muziek. “In het Retraitehuis, een als Nieuw Zakelijk te boek staand gebouw, worden de geveldoorbrekingen als klank in het geheel verwerkt”, schreef de Heerlense architect Wiel Arets in zijn essay in het helaas niet meer verkrijgbare boek over Peutz uit 1981.

Door zijn virtuoze opbouw van volumes en afwisseling van massa en leegte kan het gebouw zich gemakkelijk meten met de beste en wèl beroemde composities van Dudok, de architect van het Hilversumse Raadhuis die zich ook liet inspireren door muziek. Het huis zit vol kleine en grote verrassingen: de elegant geknikte luifel bij de hoofdingang maakt een mooi welkomstgebaar en de glazen cilinder is een grappig citaat uit Duikers' sanatorium Zonnestraal dat een paar jaar eerder werd gebouwd. Het Retraitehuis werpt bovendien zijn schaduw vooruit: het kan niet anders of de luifel aan de achterzijde heeft als inspiratie gediend voor de soortgelijke maar veel grotere luifel die de Heerlense architect Jo Coenen heeft verwerkt in zijn nu in aanbouw zijnde Architectuurinstituut in Rotterdam.

De enige kritiek die men op het Retraitehuis zou kunnen hebben is dat het grijze stucwerk hier en daar slonzig donkere plekken vertoont. Hoe stralend het gebouw zou kunnen zijn, is niet ver van het stadhuis te zien. Daar staat Peutz' vroegere grijze woonhuis uit 1931. Sinds het door de huidige gebruiker, een "bureau voor planontwikkeling', werd opgeknapt, staat het er als nieuw bij. Dit laatste geldt helaas niet voor het Glaspaleis op de Bongerd, dat Peutz in 1933 als warenhuis Schunck ontwierp. Toen het drie jaar later was voltooid, was het een van de eerste gebouwen in Europa met aan alle zijden geheel glazen gevels. Oorspronkelijk hingen er vitrages voor de ramen, maar bij een verbouwing in 1974 kwam men op het idee de ruiten te vervangen door het getinte glas van de penoselimousines.

“Omdat Peutz zo'n aparte plaats in de architectuurgeschiedenis inneemt, heeft het Glaspaleis nooit de waardering gekregen die het misschien zelfs internationaal verdient”, schrijft Volmar Delhey met spijt in het gidsje Architectuur Heerlen 1850-1940. “Had dit het wel gekregen, dan was de verminkende verandering van 1974 misschien niet gebeurd.” In een andere gids zou zo'n klaagzang kunnen worden afgedaan als regionaal chauvinisme; in dit geval is er niets te veel gezegd. Maar er is hoop: ten slotte is Peutz in een jaar of tien in de Nederlandse architectuurgeschiedenis opgeklommen van niet bestaand tot figurant. Wie weet groeit zijn reputatie de komende decennia verder en breekt ooit de dag aan dat het Glaspaleis van de grote architect Peutz in oorspronkelijke staat wordt hersteld. Het zou niet meer dan rechtvaardig zijn.