Amerika niet langer het bindmiddel in Europese specie

Washington - Het motto waaronder het Amerikaanse Institute for Foreign Policy Analysis en de Nederlandse Atlantische Commissie vorige week in Washington hun achtste ronde-tafelconferentie hadden belegd klonk nogal krachtig: "Geallieerde planning voor vredeshandhaving en conflictbeheersing: het gebruik van militaire middelen ten behoeve van politieke doelen'. Dit opschrift suggereerde immers dat de uitgangspunten helder waren, evenals de middelen en doelen en dat slechts aan de onderlinge samenhang enig onderhoudswerk moest worden verricht. Maar de werkelijkheid is een geheel andere en menig spreker legde daarvan getuigenis af. In die zin mocht de bijeenkomst dus geslaagd worden genoemd.

Achter de imponeerhouding bleken bange vragen schuil te gaan, zoals: heeft de NAVO toekomst, heeft iemand een idee omtrent de betrekkingen tussen Noord-Amerika en Europa over, zeg, tien jaar, door wie en hoe zal het leiderschap worden uitgeoefend als het bondgenootschap overleeft en is er een structurele taak weggelegd voor de Atlantische gemeenschap bij het beheersen/beëindigen van de gewapende conflicten aan de periferie van de verdragsorganisatie en is uitbreiding van het Pact in oostelijke richting gewenst of riskant?

Intrigerend is verder dat waar Margaret Thatcher volop de "special relationship' met Washington koesterde en president Bush nog maar enkele jaren geleden de Bondsrepubliek het Europese leiderschap aanbood, er nu in de Amerikaanse hoofdstad stemmen opgaan die Frankrijk kenmerken als langzamerhand de voornaamste bondgenoot.

De volgende redenering bleek populair maar is in haar samenhang dubieus: de NAVO heeft als instrument van de transatlantische samenwerking belangrijke diensten bewezen; die samenwerking en dat instrument zijn het waard te worden gehandhaafd, vooral om te worden benut bij conflictbeheersing (Bosnië) en preventie (opneming van Polen, Tsjechië, Slowakije en Hongarije als lid van de NAVO). Beter zou het zijn eerst eens duidelijkheid te scheppen over de aard van de veiligheidsvraagstukken die zich voordoen, de vraag te onderzoeken of de mogelijkheid bestaat en of de politieke wil aanwezig is om ze op te lossen en ten slotte na te gaan hoe en in welk verband dat dan zou moeten. De naoorlogse ontwikkeling in West-Europa blindelings extrapoleren naar het tegenwoordige Oost-Europa is gevaarlijk en de zin daarvan werd nog niet aangetoond.

Preventie is het nieuwe slagwoord, maar onvoldoende wordt ingezien dat preventie niet zonder afschrikking kan. Na het debâcle in voormalig Joegoslavië is de geloofwaardigheid van een en ander niet toegenomen. Er waren conferentiegangers die dat durfden toegeven.

Nu het post-ideologische tijdperk zijn vierde levensjaar is ingegaan, zijn er conclusies te trekken. Onder andere dat het systeem van de twee blokken is overgegaan in een losse drie- zo niet vierdeling. Zo willen Midden- en Oost-Europa zich ieder voor zich op het Westen richten, maar slechts drie à vier landen in het midden wordt misschien een kans geboden om, ten hoogste, aan een vorm van geregelde Europese integratie deel te nemen. Nieuwe scheidslijnen door Europa tekenen zich af.

De Amerikanen van hun kant zijn vastbesloten een nieuwe orde te vestigen, zij het niet in de wereld maar in eigen land. Fiscale en budgettaire, monetaire en sociale politiek staan in het middelpunt: de boekhouding van de overheid moet kloppend worden gemaakt, de competitie van buiten gereguleerd, de sociale structuur gemoderniseerd. De gebeurtenissen in Los Angeles zijn, anders dan de gebeurtenissen in Bosnië, diep in het Amerikaanse bewustzijn gegrift.

De bewoners van West- en Zuid-Europa hebben niet minder, zij het andere redenen dan de Amerikanen om zich met de eigen economische problemen bezig te houden. Hun staatshuishoudingen dreigen te bezwijken onder een ver doorgeschoten stelsel van sociale verzekering en regelzucht dat in enkele landen bovendien ernstig is gecorrumpeerd. Amerika en Europa kunnen nog wel iets van elkaar leren, maar of dat naar een nieuwe belangengemeenschap voert dient te worden afgewacht. De middelpuntvliedende krachten die zich op beide continenten voordoen, leiden in ieder geval niet tot saamhorigheid, wel tot een beleefd: "gaat u voor'.

Het inmiddels door de partners min of meer aanvaarde Amerikaanse voorstel om dit jaar een topconferentie van het Atlantische Pact te beleggen komt op een moment van belemmerd uitzicht. Het voorstel is geboren uit de gedachte dat de Atlantische samenwerking niet het slachtoffer mag worden van de binnenlandse prioriteiten, dat althans de schijn van voorwaartse beweging moet worden opgehouden om ongewild afglijden te voorkomen. Maar nu Europa Amerikaanse initiatieven bij de vredeshandhaving in Bosnië heeft afgewezen, een feit dat in Washington overigens nauwelijks reactie heeft uitgelokt, resteert slechts de door Midden-Europa getoonde interesse in het verwerven van het NAVO-lidmaatschap. Daarvan zal het niet komen, maar de optie van uitbreiding kan de agenda interessant maken, zeker de haken en ogen in aanmerking genomen die eraan vastzitten.

Een ontwikkeling dichterbij en de verregaande consequenties daarvan zullen op de top vermoedelijk over het hoofd worden gezien. De aanwezigheid van de Verenigde Staten in Europa heeft al die jaren het zicht op Europa vertekend: de afstanden tussen de Europese landen onderling schenen als gevolg van het boven alles en iedereen uit torenende Amerika kleiner dan zij in werkelijkheid zijn. Nu Amerika terugwijkt, verdwijnt ook de vertekening. Anders gezegd, de Europese landen worden zich weer meer bewust van eigen omvang en betekenis. De architecten van de Europese zuil onder het Atlantische dak hebben de functie van het Amerikaanse bindmiddel in hun Europese specie onvoldoende onderkend. Dat zal ze opbreken.

Bij het begin van de Joegoslavische crisis werd de Europese verdeeldheid blootgelegd. De politieke gevolgen van de valutacrisis van 1992 moeten nog worden bestudeerd, maar er kan alvast worden vastgesteld dat de crisis het onderlinge vertrouwen heeft ondermijnd. Ieder voor zich, in 1993.