Ahold bouwt supermarktketen naar Nederlands model; Luilekkerland voor de Tsjechen

PRAAG, 1 JULI. “Het lijkt hier wel een Albert Heijn”, roept een Nederlands jongetje in een supermarkt in het Tsjechische plaatsje Zdar. Trots glimlachend hoort Ahold-manager Jan Manuel hem aan. “Dat is toch het mooiste wat je kunt horen”, zegt hij. Manuel is voor Ahold al twee jaar in Tsjechië bezig een supermarktketen op te zetten die zoveel mogelijk beantwoordt aan de eisen die in Nederland aan levensmiddelenwinkels worden gesteld.

In die opzet is hij geslaagd. Wie in plattelandplaatsjes als Jilhava, Zdar of Velka Bites rondloopt in een winkel van Mana (de naam waaronder Ahold in Tjechië 12 van de 22 eigen winkels exploiteert), waant zich in een goede buurtsupermarkt in een Nederlandse nieuwbouwwijk. Fruit en groente in alle soorten en maten, pasta, zalm in blik, alle variëteiten Pampers en vrieskisten vol Magnums en Cornetto's, het volledige assortiment Westerse produkten ligt voor het grijpen.

Een luilekkerland voor de Tsjechische consument, zo lijkt het. Maar wel een luilekkerland dat voor het overgrote deel van de bevolking nog volstrekt onbetaalbaar is. Een blik op de rijen voor de kassa leert al snel dat de kleurrijke westerse merkprodukten door het overgrote deel van de Tsjechische huisvrouwen in de schappen is gelaten. Een broodje, twee worstjes en een pakje yoghurt of melk, dat is alles wat in de winkelkarretjes te vinden is.

Toch is Ahold niet ontevreden over de gang van zaken in Tsjechië. Hoewel de omzet er vorig jaar slechts zo'n 60 miljoen gulden bedroeg - op een totale concernomzet van ruim 22 miljard gulden - voorziet het concern op langere termijn te profiteren van de economische groei in Tjechië.

Daarvoor zal Ahold wel over een lange adem moeten beschikken. Zo moet het Nederlandse concern veel investeren in de aankleding van de supermarkten, het opzetten van een logistiek systeem, de bijscholing van het eigen Tjechische personeel èn van de leveranciers. En zolang de consumenten slechts weinig gebruik kunnen maken van het - voor Tjechische begrippen - enorme aanbod aan verse artikelen, moet Ahold iedere dag heel wat produkten doordraaien.

“Je kunt heel wat in Tsjechische kronen verliezen, voordat het je in guldens raakt”, zei Ahold-bestuurder F.I. Ahlqvist eerder deze week laconiek. “Mijn ticket naar Wenen kost evenveel als een cassière in Tsjechië op jaarbasis”, voegde hij daaraan toe. Maar, zei Ahlqvist erbij, omgerekend in guldens “betekent dat wel dat het ook lang duurt voordat de winst aantikt”. Ahlqvist, die binnen de raad van bestuur van Ahold onder andere verantwoordelijk is voor de Tsjechische activiteiten, hoopt dat in 1994 of 1995 de Mana-winkels winst zullen opleveren.

Dat Ahold in Tsjechië pas 22 winkels operationeel heeft (over zes andere wordt onderhandeld), is een teleurstelling geweest voor het concern, bevestigt Ahlqvist. Vlak na de "fluwelen revolutie' beschikten de Nederlanders namelijk nog over toezeggingen van de Tsjechische staat waardoor Ahold 1200 winkels in handen zou kunnen krijgen. “Het is anders gelopen”, zegt Ahlqvist. De Tsjechische regering besloot volgens hem na de eerste privatiseringsgolf de staatsmonopolies op te breken in kleine stukjes, waarin de bevolking zelf aandelen kon verwerven. Ahold moet nu proberen stukje bij beetje - bijvoorbeeld via veilingen - onderdelen van die voormalige staatsconglomeraten in handen te krijgen. “Wij hopen dat straks aanbod loskomt als mensen erachter zijn gekomen wat er allemaal nodig is om een supermarkt te runnen”, zegt Ahlqvist.

Ahold heeft zelf ook de afgelopen twee jaar moeten leren hoe in Tsjechië winkels draaiende kunnen worden gehouden. Een groot probleem is bijvoorbeeld nog steeds de distributie. Hoewel Ahold al zelf een distributiecentrum heeft opgezet voor de bevoorrading van de winkels, worden veel produkten rechtstreeks bij de filialen aangeleverd. “Omdat de meeste producenten maar weinig kunnen leveren, zijn heel veel leveranciers nodig om de winkel vol te krijgen”, zegt Jan Manuel. Hij herinnert zich de eerste Mana-winkel in Jilhava, waar in het begin dagelijks alleen al vijftien zuivelproducenten aan de deur kwamen en zeven bakkers. Gemiddeld vijftig leveranciers per dag afhandelen kost niet alleen veel tijd voor het winkelpersoneel, “maar het vergroot ook de kans op geritsel”, bevestigt Manuel.

Ook de bijscholing van het winkelpersoneel (bediening met een glimlach) en het Tsjechische management heeft het concern heel wat zweetdruppels gekost. “Tsjechen houden alles bij tot zeven cijfers achter de komma, maar als je een bedrijfsleider vraagt wat zijn omzet is geweest, moet hij dat eerst op gaan zoeken”, aldus Manuel, die hiervan naar eigen zeggen 's nachts nog wel eens wakker ligt. Ahold streeft ernaar het Tjechische management zo snel mogelijk zover te hebben dat het zonder directe Nederlandse steun kan. De tien Nederlandse specialisten die nu min of meer regelmatig in Tsjechië verblijven, worden in principe eind '94 teruggeroepen naar het hoofdkantoor in Zaandam. Dat moet wel, aldus Ahlqvist, omdat de Ahold-organisatie “niet al te vet is” en de managers ook op andere plekken nodig zijn.

Concrete plannen om ook in andere Oosteuropese landen aan de slag te gaan, heeft Ahold mede door gebrek aan mankracht voorlopig niet. “Eerst moeten we in Tsjechië goed lokaal management hebben en over voldoende kritische massa beschikken”, aldus Ahlqvist. Ambities heeft het concern wel, zo blijkt uit de woorden van het bestuurslid: “We zijn niet tevreden voordat we winkels in Vladivostok hebben.”