Vertrek VN bedreigt Cambodja

De vredesoperatie van de Verenigde Naties in Cambodja is, na de verkiezingen van vorige maand, over haar hoogtepunt heen en daarmee valt de bodem weg onder de huidige nijverheid van het land. Zal de huidige "volkomen kunstmatige economie' als een grote zeepbel de geschiedenis in gaan? Of vindt Cambodja een manier om zichzelf te redden?

Van de 48 kamers die het Lido-hotel in de Cambodjaanse hoofdstad Phnom Penh rijk is, zijn er vier bezet. Het fonkelnieuwe hotel, dat tot voor kort dienst deed als ziekenhuis, is nog niet af. Vloertegels worden gelegd, aan de lift wordt driftig gesleuteld en het restaurant is nog niet open. In het Lido is flink genvesteerd, het hotel is voorzien van de meest geavanceerde communicatie- en amusementsapparatuur.

Cambodja is in twee jaar tijd als een raket het moderne technologietijdperk in geschoten: zelfs de beste hotels hadden tot voor kort geen telefoon. Zie nu het Lido: satelliet-telefoon, faxmachines en een kapitale grootbeeld-televisie, afmeting tachtig bij honderd centimeter (kosten 4.000 dollar) in de lobby. Het veertigkoppige personeel, dat zijn tijd grotendeels in ledigheid doorbrengt, kijkt vanuit de luie leren stoelen en vanachter de balie naar afwisselend de BBC Worldservice of - zonder enig spoor van gêne - naar Amerikaanse pornofilms op het videokanaal. De voorgevel van het hotel is "behangen' met een woud van honderden lampjes die 's avonds een feeëriek licht verspreiden, heel even maar: om kosten te besparen branden ze niet langer dan een kwartiertje.

De eigenaar van het Lido is een welgestelde Cambodjaan die in Frankrijk woont. Hij komt nooit kijken; als hij dat zou doen, zou het hem duidelijk zijn dat het niet goed kan aflopen met zijn investering. Het restaurant- en hotelwezen is een van de sectoren waarin het karakter van de Cambodjaanse economie - een grote zeepbel - het meest zichtbaar is.

Toen de vredesoperatie van de Verenigde Naties eind 1991 op gang kwam, bevonden zich in de Cambodjaanse hoofdstad hooguit dertig hotels, allemaal derde of lagere rangs. Het aanlokkelijke vooruitzicht van de komst van tienduizenden VN-mensen en hulpverleners leidde tot een ongekende bouwhausse, die nog steeds niet is uitgewoed. In een jaar tijd verrezen in Phnom Penh volgens een opgave van het ministerie van toerisme vijftig nieuwe hotels, met een capaciteit aan bedden die het aantal gasten verre overtreft. Het zijn vooral de etnische Chinezen, Cambodjanen uit het buitenland en zakenmensen uit Thailand, Taiwan en Hongkong die hotels hebben laten bouwen.

Het aantal nieuwe restaurants is nog groter; naar welk deel van de stad de bezoeker ook gaat: overal zijn nieuwe restaurants geopend of wordt er aan gewerkt. Het heeft er alle schijn van dat de bouw van het ene restaurant of hotel dat van het andere uitlokt; en deze aktiviteiten zijn niet gebaseerd op marktonderzoek naar potentiële klanten, maar op geruchten.

Na de komst van 15.000 VN-militairen en 6.000 man VN-burgerpersoneel naar Cambodja, anderhalf jaar geleden, schoot de bedrijvigheid van het land omhoog. Cambodja was tot dan met een gemiddeld jaarinkomen van 200 dollar per hoofd van de bevolking een van de armste landen. Aan het vele materieel dat het land werd binnengebracht, verdiende Cambodja niets. Maar de lokale bestedingen van de Verenigde Naties - in de officiële en de privé-sfeer - belopen inmiddels 200 miljoen dollar per jaar en dat is niet minder dan tien procent van het (zeer kleine) bruto nationaal produkt. De economische groei bedroeg hierdoor vorig jaar 8 procent en voor dit jaar wordt eenzelfde percentage verwacht. Maar in Cambodja is sprake van een verwrongen economie, waar de omloopsnelheid van het geld zeer groot is en het werkelijke investeringsniveau laag.

De instroom van grote hoeveelheden buitenlands kapitaal leidde tot een enorme inflatie: 420 procent in 1992. De waarde van denationale munteenheid "riel' kelderde: in september 1992 stond nog 700 riel tegenover een dollar, vorige maand al 3.500. Daarna is de riel gestabiliseerd, vooral omdat de dollar en de Thaise baht een belangrijk deel van het betalingsverkeer hebben overgenomen. In restaurants en hotels is de dollar het courante betaalmiddel.

Pag.16: Buitenlands kapitaal schuwt Cambodja

De vrees bestaat dat het vertrek van de VN-macht (UNTAC), waarmee in augustus een begin wordt gemaakt en die naar verwachting begin volgend jaar zal zijn voltooid, een volledige ineenstorting van de economie zal betekenen. “Als UNTAC vertrekt zal er een enorme terugval in de handel plaatsvinden, ik verwacht wel 50 procent”, aldus Poul Leineweber, een vertegenwoordiger vaneen Amerikaans bedrijf dat sigaretten en chocolade produceert. “De goudmijn is voorbij.”

Cambodja heeft het grote nadeel ingeklemd te liggen tussen de "tijger' Thailand en de "krokodil' Vietnam, waar respectievelijk 58 miljoen en 71 miljoen mensen wonen. Cambodja heeft slechts negen miljoen inwoners. Kleine landen (Zwitserland en Singapore bij voorbeeld) hebben bewezen zich heel goed te kunnen redden te midden van veel grotere buren, maar de grote achterstand van Cambodja ten opzichte van Thailand en Vietnam is het probleem.

De Thaise economie groeit al jaren met 8 tot 10 procent per jaar en de Vietnamezen hebben de wind er ook onder: vorig jaar 5 procent groei, dit jaar naar verwachting 6 en volgend jaar 7 procent. Voor buitenlandse investeerders is een land als Cambodja niet interessant: de burgers beschikken niet over de geringste koopkracht en het beschikbare arbeidspotentieel is te klein en te onervaren. In tegenstelling tot het buitenlandse geld dat Cambodja binnenstroomt, is er in Thailand en Vietnam wel sprake van diepte-investeringen. De vertegenwoordiger van de ABN AMRO-bank in Ho Chi Minh-stad, Boudewijn Poldermans, denkt er niet aan bankaktiviteiten in Cambodja te ontplooien. Hij spreekt van “een volkomen kunstmatige economie.” Andere banken hebben het risico wel durven lopen. Nog maar enkele jaren geleden was een bank een onbekend fenomeen in Phnom Penh, nu zijn er meer dan twintig banken, met verscheidene vestigingen. Maar voor de bankiers geldt hetzelfde als voor de hoteliers en restauranthouders: hun toekomst in het post-UNTAC Cambodja is zeer onzeker. Want, als het grootste deel van de VN-mensen zijn biezen heeft gepakt, is Cambodja op andere bronnen van inkomsten aangewezen en zal blijken hoe beperkt die zijn.

De traditionele Cambodjaanse economie dreef op vier pijlers: rijst, vis, hout en rubber. Over rijst, vis en rubber is het verhaal gauw verteld. De rijst en de vis zijn voornamelijk om de eigen bevolking te voeden, de export is te verwaarlozen. De bescheiden produktie/export van rubber staat onder grote druk door de ingezakte prijs op de wereldmarkt en de grote concurrentie van andere landen. Blijft over de enige lucratieve sector: houtwinning.

Het dunbevolkte Cambodja heeft nog grote stukken tropisch regenwoud, die nu in snel tempo worden ontgonnen. De export van hout is vrijwel uitsluitend beperkt tot boomstammen en planken, ruwe grondstoffen waaraan veel minder wordt verdiend dan aan afgewerkte produkten. Een andere complicatie voor Phnom Penh is het feit dat vooral snuggere handelaren uit Thailand en in mindere mate ook uit Vietnam en Laos de leiding hebben van de houtkap en zij het grootste deel van de winst opstrijken. De Thais concentreren zich op het westen van Cambodja, waar ze vooral zaken doen met de Rode Khmer, die daar in feite over een autonoom gebied beschikken. De Verenigde Naties stelden begin dit jaar een embargo in tegen de Rode Khmer, wegens de weigering van de beweging zich te laten ontwapenen, maar in de regio zelf valt daar weinig van te merken. Een van de manieren om het embargo te omzeilen is de ruwe boomstammen te verwerken tot planken, die niet onder de bepalingen vallen. Per saldo is de houtuitvoer niet afgenomen en van nieuwe aanplant is geen sprake. Volgens schattingen van de Verenigde Naties zal Cambodja, indien de huidige kapwoede doorgaat, uiterlijk rond de eeuwisseling kaalgeslagen zijn.

Inmiddels zijn oliemaatschappijen, waaronder de Shell, begonnen met boren in Cambodja. Onbekend is over welke hoeveelheden fossiele brandstoffen het land beschikt. In de jaren zestig en zeventig werd er ook al olie aangeboord, maar grote bronnen zijn toen niet gevonden. De Rode Khmers verwoestten tijdens hun schrikbewind (1975-1979) alle installaties. De olieopslagtank van Shell in de zuidelijke badplaats Kep gebruikten de maosten als massagraf voor bewoners die door hen werden geëxecuteerd.

In Phnom Penh wordt veel verwacht van de ontwikkeling van het toerisme, waarvoor zelfs een ministerie in het leven is geroepen. Erg realistisch is dat niet: Cambodja heeft toeristen bitter weinig te bieden. Het landschap is niet echt opwindend, terwijl de gebieden die wel de moeite waard zijn door de slechte infrastructuur zo goed als onbereikbaar blijven. Phnom Penh is een smerige, oninteressante stad, waar zelfs voor een rugzaktoerist weinig eer aan valt te behalen. Alleen het hindoestische tempelcomplex van Angkor is een verrukking voor het oog en daarenboven van grote internationale culturele waarde. De vraag is of Angkor voldoende aantrekkingskracht heeft om een echte toeristenindustrie te ontwikkelen. Een belangrijke onzekere factor voor de economische ontwikkeling is de militaire situatie. Momenteel heerst er een periode van betrekkelijke rust. De belangrijkste partijen: de Cambodjaanse Volkspartij (CPP) en de royalistische Funcinpec hebben met twee kleinere groeperingen een nationale coalitieregering gevormd, die de stabiliteit van het land ten goed komt. De Rode Khmer, die uit eigen beweging niet deelnam aan de verkiezingen in mei, heeft gezegd zich bij de politieke verhoudingen neer te leggen en te streven naar nationale verzoening. Maar hoe lang zal dat het geval zijn? Mocht de nieuwe regering bij voorbeeld besluiten met geweld een einde te maken aan de feitelijke autonomie van het Rode-Khmergebied - zoals ze heeft laten doorschemeren - dan zal er een nieuwe oorlog ontstaan met alle negatieve gevolgen van dien.

Prins Norodom Ranariddh, een van de twee leiders van de interim-regering, heeft al zijn hoop gevestigd op buitenlandse hulp. Ranariddh, een zoon van het staatshoofd, prins Norodom Sihanouk, zei deze week dat zijn regering dringend geld nodig heeft voor het betalen van openstaande rekeningen. Zo hebben de militairen van het regeringsleger al maanden geen of onvoldoende soldij ontvangen. De Verenigde Naties hebben inmiddels toegezegd 30 miljoen te fourneren voor het lenigen van de ergste nood.

Vorig jaar werd op een door de VN georganiseerde conferentie van potentiële donorlanden een bedrag van 880 miljoen dollar aan concrete financiële hulp toegezegd. Van dat bedrag was vorige maand echter nog maar 20 procent verstrekt.