Verbluffend arsenaal aan slaggeluiden van Klas Torstensson

Concert: Radio Symfonie Orkest en het Groot Omroepkoor o.l.v. Zoltan Pesko. Programma: werken van Henryk Górecki, Klas Torstensson, Charles Ives en Edgard Varèse. Gehoord: 29/6, Concertgebouw, Amsterdam.

Aan de Amerikaanse schrijver Henry Miller dankt Edgard Varèse de bijnaam 'stratosferische Colossus van het Geluid'. Voor Varèse lag het muzikale experiment van de twintigste eeuw in de bevrijding van de klank. De indrukwekkende uitvoering door het Radio Symfonie Orkest van Amériques gisteravond in het Amsterdamse Concertgebouw gaf dit Varèse-cliché op onthutsende wijze nieuwe inhoud.

Vanaf de eerste nog zoetgevooisde maten in de houtblazers leek het of het tot megalomane proporties uitgebreide orkest met daarin negen slagwerkers en twee paukenisten door dirigent Zoltan Pesko onder een elektrische stroom werd gezet die stapsgewijs tot de voltages van een flinke krachtcentrale werd opgedreven. Op geen enkel moment verloor Pesko daarbij zijn greep op de kristallijnen structuur van Varèses muziek, die ondanks de luidruchtige massiviteit van de orkestklank vraagt om een zeer precieze dosering van de dynamiek en veel gevoel voor details.

De wereldpremière van Stick on Stick van de Nederlandse componist Klas Torstensson bracht een vergelijkbaar gevoel van euforie teweeg. Ook bij Torstensson figureert het orkest eerder als een onuitputtelijke bron van verwante en contrasterende klankkleuren en ritmische patronen dan van lange melodische lijnen. Stick on Stick is Torstenssons eerste compositie sinds lange tijd voor traditioneel symfonieorkest, maar de bezetting staat uit het lood doordat de hoge instrumenten als piccolo en gestemde claves (hardhouten slagstaven) en lage instrumenten als de contrafagot en bastrombone oververtegenwoordigd zijn. Het stuk klinkt met enige fantasie als een genstrumenteerde wandeling door een vriesdroog bos dat bezaait is met kleinere en grotere takken. Torstensson ontwikkelt een verbluffend arsenaal aan slaggeluiden - zoals het op elkaar slaan van twee latten als in Barstend IJs uit 1986 en het handgeklap door orkestleden - en verweeft die met furieus voortijlende instrumentale motieven.

Heel wat eendimensionaler was de manier waarop Henryk Górecki de mogelijkheden van het orkest benutte in Refrain uit 1965. Het stuk betekende een wending in het tot dan toe avantgardistische oeuvre van de Poolse componist en bestaat hoofdzakelijk uit zachte strijkerclusters die klinken als het laatste restje lucht uit de balg van een harmonium waarvan teveel toetsen zijn ingedrukt. Na een korte, maar luide interruptie door pauken en koper keren de clusters terug om te verzanden in de lage strijkers. De inventiviteit waarmee Charles Ives in de door Pesko buitengewoon effectvol uitgevoerde Second Orchestral Set een zingende menigte wist te suggereren, was in Górecki's muziek ver te zoeken.

    • Peter Peters