Soms gaat zorg boven technologisch vernuft

Het Prinsengrachtziekenhuis, het oudste bestaande ziekenhuis van Amsterdam, het oudste opleidingsinstituut tevens voor verplegenden in ons land, dreigt te worden opgeheven.

Precies op het moment dat het zich opmaakt zijn honderdvijftigjarig bestaan te vieren. Met de timing een theatrale beul waardig, heeft de staatssecretaris halverwege vorig jaar geoordeeld dat het Prinsengrachtziekenhuis met het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis dient te fuseren. In de onderhandelingen die daarop volgden eiste het OLVG alle specialistische hulp op. Als gevolg daarvan dreigt het Prinsengrachtziekenhuis een ziekenhuis zonder bedden te worden.

Het gedicht ”De stervende' van Bloem geeft een goede indruk, zowel van de functie als van sfeer van het bestaande ziekenhuis.

Wanneer de schamele vermoeid is van het dwalen

Door al de wrede dagen van zijn leven heen,

Zoekt hij de blanke vreê der hospitalen

Als eindelijke heul voor lang-verkropt geween.

J.C. Bloem

Tegenwoordig heeft men andere opvattingen over hoe een ziekenhuis er moet uitzien en wat men er zoekt. Het moderne ziekenhuis is een mengsel van winkelcentrum en fabriekshal. De lawaaierigheid van de architectuur is er onderdeel van de boodschap: hier is men niet ziek, hier worden lokale onvolkomenheden verholpen, hier wordt niet gestorven, hier worden onderdelen vervangen.

Het argument voor fusie van ziekenhuizen, en de klemtoon op hoogwaardige technologie, is de efficiency ervan in zowel financieel als medisch opzicht. Niemand heeft dat ooit kunnen aantonen. Wat betreft de financiën vergelijkt men appels met peren: een kleinschalig opgezet ziekenhuis met specifiek herkenbare onderdelen levert een ander produkt dan grote fabrieken als het AMC. En wat het medisch rendement aangaat: het is tamelijk eenvoudig een bepaalde fout terug te voeren op gebrekkige apparatuur of falende organisatie. Maar dat er een relatie zou kunnen bestaan tussen fouten en een overdaad aan apparatuur en organisatie komt niet in de hersens op.

Het betreft hier een algemeen probleem. Niet alleen het Prinsengrachtziekenhuis maar vele andere kleine ziekenhuizen zien zich ervoor gesteld. Ook bijvoorbeeld het bijeenvegen van verschillende soorten scholen maakt er onderdeel van uit. Het zijn bezuinigingsoperaties maar ze worden gebracht onder het mom van verhoging van kwaliteit. De broze schoonheid van een oud binnenstadsziekenhuis, dat zich richt op toegankelijkheid en zorg, valt daar niet onder.

Kwaliteit is een ongrijpbaar begrip. Vandaar ook dat men het in getallen probeert te vangen. In de wetenschappen hebben we de zogenaamde citation index. Wat kwantitatief is laat zich met cijfers meten. Het resultaat van laboratoriumwerk, collectieve arbeid in een bestaande onderzoeksrichting, kan in getallen gevangen worden. In de humaniora ligt dat anders. In mijn vak, geschiedenis, ken ik artikelen die het aanzien van een specialisme ingrijpend gewijzigd hebben, maar die niet meegeteld werden omdat ze verschenen in periodieken die niet aan bepaalde criteria van kwaliteit voldeden. Men ziet waar de fout begint.

Het vreemde is dat iedereen in zo'n vak dat weet. Kwaliteit in wetenschap is voor wetenschappers onderling een zaak van eenvouds verlichte waters. Als instrument van beleid daarentegen verkeert het vrijwel meteen in het tegendeel van troebel vocht. Wat voor de patiënten van een instelling als het Prinsengrachtziekenhuis een evidentie is, is in termen van de rapporteur van de staatssecretaris een technisch risico. Alleen onder voorwaarde van de gemakkelijkst meetbare zaken als de aantallen assistenten of co-assistenten van een arts of de aanwezigheid van een computertomograaf of crash-car heeft een ziekenhuis kwaliteit. De sereniteit van een oud ziekenhuis, de motivatie van ter plekke opgeleide verpleegkundigen en de klemtoon op verzorging zijn onmeetbare elementen en behoren dan ook niet tot de kwaliteit.

Hoogwaardige technologie is een groot goed. De mogelijkheden die intensive care en hart- en hersenoperaties en andere overigens zeer, zeer dure technieken leveren, hebben menig leven verlengd. Maar er zijn categorieën patiënten, zoals bepaalde kanker- en aids-patiënten en bejaarden die niet of nauwelijks geholpen zijn met die dure pracht. Dat zijn categorieën die een beroep doen op zorg eerder dan techniek, op aandacht evenzeer voor psyche en achtergrond van de patiënt als voor zijn lichaam. Een dergelijke zorg vereist een totaal ander ziekenhuis, waar flexibiliteit en creativiteit belangrijker zijn dan vaste procedures en een overkill aan materiaal. Het vereist een specifieke samenwerking tussen specialist en verpleegkundige, die als gelijkwaardige leden in een team werken.

Zo'n ziekenhuis is het Prinsengrachtziekenhuis. Zoiets groeit uit een lange geschiedenis, waarbij verpleegkundige opleiding en specialistische zorg elkaar vonden. Maar dat is nu juist het probleem, het is oud en het is niet te tellen. Dat moet wel gevaarlijk zijn.

Hans Ree heeft onlangs in deze krant de uitkomst van de parlementaire enquête van 2003 over de gezondheidszorg voorspeld. Tegen die tijd zal wat ons nu nog getalsmatig ontsnapt als kostenfactor een rol spelen. De beschuldigende vinger zal geheven worden naar de politiek. De verbazing zal uitgesproken worden over maatregelen die destijds vrijwel niemand wilde en waarvan de schadelijkheid evident was. En er zullen bijvoorbeeld weer kleine gedecentraliseerde ziekenhuizen in de steden komen.

Men zal dan het Prinsengrachtziekenhuis moeten heroprichten. Intussen verdwijnt er met dat ziekenhuis een stukje vrede. En is het weer een beetje meer oorlog onder ons.