Op de koffie

NA DE BALKONSCÈNE van de hoogwerker en minister Dales hebben de politiebonden vandaag het einde van het parlementaire jaar aangegrepen voor een aantal publieksdemonstraties. Ook de politie voert actie voor tweeëneenhalf procent maar houdt het leuk. Het is een heel verschil met de schrille fluitconcerten en het opwachten van bewindslieden zes jaar geleden. Toen ging het ook om specifieke politiebelangen, de inconveniëntenregeling, terwijl de politie zich nu meer laat inzetten als speerpunt in de algemene ambtenarenacties.

Geheel zonder eigen risico is deze rol overigens niet. Juridisch gesproken zijn de marges voor stakingsactie bij essentiële diensten als de politie uiterst smal. De aangekondigde hete herfst zal dan ook zeker problemen opleveren, want de herinnering aan de acties van 1988 spookt nog steeds na. De gezagsdragers zijn extra gevoelig voor acties bij de politie. Als zij hun eigen politie niet meer kunnen vertrouwen... Zo valt het streven van de laatste tijd de Koninklijke Marechaussee in allerlei civiele taken te schuiven mede te verklaren uit de kater van 1988. De militaire politie is tenminste een gezagsapparaat waarop men kan bouwen.

AMBTENARENACTIES om niet achter te blijven bij het bedrijsleven noden bovendien uit tot de tegenvraag hoe het dan wel met de ambtelijke produktiviteitsontwikkeling staat. In het geval van de politie is dat een pijnlijke vraag. Nog niet zo lang geleden sprak de Alkmaarse hoofdofficier van justitie mr. Josephus Jitta openlijk de vrees uit “dat geen enkele andere overheidsdienst zo weinig rendement heeft van het werk van zijn medewerkers”. De oorzaken zijn reeds uittentreure vermeld: bureaucratie, hiërarchie, problemen met de prioriteitsstelling en vooral het vele “indirecte politiewerk” zoals een Kamerlid het elegant uitdrukte bij de behandeling van de politiebegroting 1987.

Nog steeds is het zo dat slechts een kwart van de politiecapaciteit wordt besteed aan het directe politiewerk; de rest gaat op aan een onoverzichtelijk mozaëk van ondersteunende bezigheden, cursussen, overleg en “persoonlijke verzorging”. Josephus Jitta hekelde met name wat hij noemde de “koffiecultuur”; vorig jaar nog kreeg hij een conceptjaarplan onder ogen waarin per dag per diender een uur voor koffiepauzes en dergelijke werd opgevoerd.

DAT KOFFIEUUR is tenslotte niet doorgegaan, maar het voorstel alleen al vormt een illustratie van een vakbondscultuur die wel eens de neiging heeft zichzelf te verwisselen met de hoofdactiviteit. Daarvan getuigt ook de moeite die het kost een salarisstructuur in te voeren die ervaren agenten niet ontmoedigt om voor de straatdienst behouden te blijven. Dat er iets scheef zit bewijst vooral de wanverhouding tussen de politie-aanwezigheid overdag en in de nachtelijke uren.

Politiewerk is zwaar, in alle opzichten, en van eminent publiek belang. Allemaal redenen voor een adequate beloningsstructuur. Maar dan wel graag volle betaling voor het volle pond.