Nieren, harten en levers strijden om goud

Van vijf tot tien juli worden in Vancouver de negende World Transplant Games gehouden. Er doen vierëntwintig Nederlanders mee die een orgaan kregen getransplanteerd maar ook topsport bedrijven.

DEN HAAG, 30 JUNI. “Voor de gelegenheid tafeltennis ik en ik loop misschien een korte afstand, maar eigenlijk ben ik dus badmintonspeler”, zegt Hans Fisscher (38). Iedereen moet tijdens de Spelen op meer dan één onderdeel kunnen uitkomen, anders zijn er niet genoeg deelnemers. Fisscher maakt deel uit van de Nederlandse ploeg die morgen naar Vancouver vertrekt om deel te nemen aan de negende World Transplant Games (WTF).

De Nederlandse ploeg bestaat uit zeventien "nieren', vijf "harten' en twee "levers' dit jaar. In deze termen praten de getransplanteerden onder elkaar over het orgaan wat zij hebben gekregen. In principe zie je niet aan elkaar welk orgaan er getransplanteerd is en je bent nieuwsgierig wat je tegenover je hebt staan. “Het is ook een leuke binnenkomer”, vindt Fisscher, “andere mensen zeggen "wat wil je drinken', wij raden wat je in je lichaam van een ander hebt zitten.”

De Olympische Spelen voor Getransplanteerden werden voor het eerst gehouden in 1978 in Engeland met ongeveer honderd deelnemers uit tien landen. Nu zijn al meer dan 35 landen vertegenwoordigd en zullen er naar schatting duizend sporters aan mee doen.

Fisscher behaalde in Boedapest (1991) een gouden medaille voor de "dubbel badminton' en hoopt op niet al te sterke tegenstanders in Vancouver. “Je weet niet precies wie je als tegenstander kunt verwachten. Het verloop is groot onder de getransplanteerden. Iemand kan teruggevallen zijn op de nierdialyse of om andere gezondheidsredenen thuis gebleven zijn.”

De ontmoetingen met mensen uit andere landen vindt hij net zo leuk als het sporten zelf. Hij heeft er veel “lief-en-leedvrienden” aan overgehouden die hij zo af en toe ook bezoekt. Toen hij in '91 in Boedapest tijdens de Spelen zijn Hongaarse correspondentie-vriendin weer hoopte te zien was het dan ook een klap voor hem om van de andere deelnemers te horen dat zij overleden was. “Daar sta je niet bij stil, je vergeet dat dat kan gebeuren.” Vooral mensen met een harttransplantatie leven volgens Fisscher 36 uur per dag: “Zij kunnen nergens op terugvallen, als het hart het niet meer doet is het voorbij.”

Er zitten volgens hem nauwelijks risico's aan de Spelen omdat er geen contactsporten bij zitten en omdat iedereen in principe weer gezond verklaard is na een transplantatie.

Alle deelnemers zijn uitvoerig getest voordat ze aan de selectiewedstrijden mee mogen doen. Ook wordt als voorwaarde voor deelname gesteld dat je ten minste een jaar getransplanteerd moet zijn. Dan is het lichaam enigszins gewend aan het nieuwe orgaan. Voor Fisscher was dat geen probleem. Bij hem werd in 1980 voor de eerste keer een nier getransplanteerd en in 1987, met meer succes, voor de tweede keer.

Hij voelt zich een topsporter, ook al weet hij dat het niveau van een topsporter veel hoger ligt. Hoewel, “op de Transplant Games lopen ze de 100 meter in 11 à 12 seconden, op de Olympische Spelen doen ze het in 9 seconden.” Fisscher speelt competitie bij de badmintonvereniging DKC in Den Haag (“als enige getransplanteerde”) en hij stopt veel tijd in de nieuw opgerichte Stichting WTG Nederland.

Heeft hij nooit de stille wens gehad om voor de "echte' Olympische Spelen te worden geselecteerd? “Nee, hoor. De sfeer is daar anders en bovendien zou geen van ons door de dopingcontrole komen. We slikken allemaal medicijnen en dat laat de nodige sporen achter. Het zijn weliswaar medicijnen met een spierverzwakkend effect, maar niemand is geheel clean.”

Het is ook een promotie-reis. De doelstelling van deze Spelen is tweeledig: “We willen laten zien dat iemand met een getransplanteerd orgaan nog zo ontzettend veel kan - daarmee doen we aan donorwerving” en de sport op zichzelf, het medailles behalen, is natuurlijk ook van belang.

De sponsors zijn niet erg toeschietelijk, zo heeft de Stichting WTGN geen grote kledingsponsor kunnen vinden. “Dat was voor de deelnemers niet leuk, maar alle grote bedrijven waren door hun sponsorgeld heen. Nu hebben we voor de openingsceremonie trainingspakken van Harten Twee (de vereniging van hartpatiënten, red.) geleend om toch nog uniform aan te kunnen treden.”

De kosten voor de deelnemers bedragen duizend gulden. Dat is anders dan bij andere grote sportevenementen waarbij de deelnemers geheel in de watten worden gelegd en geen eigen bijdrage hoeven te betalen. Fisscher: “Dat zal bij deze Spelen ook nog wel gaan gebeuren, maar we zitten nu nog in het beginstadium.”

Het plezier wat je aan de Spelen beleeft, zowel tijdens als na afloop, weegt volgens Fisscher alleszins op tegen de kosten. “Laatst kwam ik iemand tegen en die wist nog dat ik in 1991 een gouden medaille had gewonnen in Boedapest! Daar kan ik een half jaar op teren.”