Italiaanse bankwezen hervormt; Ineenstorting van politiek-zakelijk imperium treft ook banken

ROME, 30 JUNI. Net nu de weg is vrijgemaakt voor Italiaanse banken om belangen te nemen in ondernemingen, blijkt dat de meeste banken in grote problemen verkeren, door een combinatie van recessie, politieke veranderingen, een verouderd systeem, en de dreigende instorting van een aantal grote en kleine zakelijke imperia. Het aantal kredieten dat als niet of voorlopig niet te innen moet worden weggeschreven, is snel aan het stijgen.

Vorig jaar was het al 22 procent meer dan in 1991. Op een totaal kapitaal van ongeveer 160 biljoen lire en uitstaande kredieten van 650 biljoen lire valt tegen de 100 biljoen lire (118 miljard gulden) in de risico-categorie.

Toen Giuliano Amato, de latere premier, een paar jaar geleden aftrad als minister van de schatkist zei hij dat de bankwereld een “versteend woud” vormde en dringend moest worden hervormd. Aarzelend is daarmee begonnen, mede aan de hand van een wet die de naam van Amato draagt, maar in veel opzichten liggen de Italiaanse banken nog mijlenver achter bij concurrenten in Frankrijk of Duitsland.

Lang is beweerd dat het gebrek aan dynamiek de banken ver heeft gehouden van risico's. De recente crisis bij het Ferruzzi-concern, dat voor ongeveer veertig miljard gulden in het krijt staat bij de banken, heeft laten zien dat dit niet zo is.

“Paradoxaal genoeg zijn de Italiaanse banken erin geslaagd om de stilstand van een bureaucratisch, aan regels gebonden systeem te combineren met de risicodragende activiteit die eigen is aan een vrijer systeem,” schrijft de Corriere della Sera.

Ferruzzi is veruit de grootste onderneming, maar lang niet de enige die diep in het krijt staat bij de banken. De staatsholding Efim heeft twintig miljard gulden schuld, de landbouwholding Federconsorzi zes miljard, de groep van projectontwikkelaar Ligresti twee miljard, en zo kan de lijst nog veel langer worden gemaakt.

Sommige van die schulden, zoals die van de Efim en Federconsorzi, zijn direct terug te voeren op de gewoonte van politieke partijen om de staatssector te gebruiken voor hun eigen doeleinden. De staatsbanken, die de financiële sector domineren, werden onder druk gezet om leningen te verstrekken die politiek gezien misschien nuttig waren, maar financieel onverantwoord. Nu die politieke controle over de staatssector van de economie aan het verdwijnen is, valt ook de garantie achter de schulden weg en komen de banken in grote problemen.

Volgens de econoom Romano Prodi, de nieuwe president van de staatsholding IRI, is dit een van de vele voorbeelden van een schijnzekerheid die in Italië heeft bestaan. Banken dachten dat ze hun kredieten in geval van nood gedekt zouden worden door de schatkist, bedrijven rekenden erop dat er altijd wel een staatsbank gevonden zou worden om hen uit de nood te helpen.

“Als een bedrijf over een parachute beschikt en dus een bevoorrechte positie geniet, als het gelooft dat het nooit zal vallen, dat het zich nooit zal bezeren zelfs niet als er hindernissen opdoemen, wordt het beleid onbezonnen, waanzinnig,” zegt Prodi. “In Italië hebben we enkele parachutes gehad in de particuliere sector, en heel veel in de publieke sector. Die moeten worden afgeschaft, want het systeem kan zich die niet meer permitteren.”

Die politieke achtergrond van de financiële problemen blijkt uit het feit dat veel van de ondernemingen in moeilijkheden lang zijn beschermd. Ferruzzi valt daar niet onder, maar Efim, Federconsorzi en Ligresti zeker wel. De instorting van deze politiek-zakelijke imperia komt nog eens bovenop een toch al bijtende recessie.

Van veel kanten wordt nu gepleit voor een andere verhouding tussen banken en industrie. Zo wijst de econoom Carlo Scognamiglio, senator voor de kleine Liberale partij, erop dat de problemen zijn vergroot door de gewoonte van banken is om het risico te delen. Leningen werden vaak niet door één bank, maar door een consortium van banken gegeven. Het voordeel is dat de pijn van eventuele problemen van een crediteur wordt gespreid, maar het nadeel is dat er nauwelijks toezicht is op de crediteur.

Deze gewoonte heeft geleid “tot een verlies aan verantwoordelijkheid van de banken voor hun cliënten,” zegt Scognamiglio. Hij is een voorstander van het Duitse systeem, waarin een industriële groep twee, drie banken als aandeelhouders en geldschieters heeft, waardoor de bank veel nauwer zal toezien op de betrokken groep.

Tot voor kort was dat in Italië niet mogelijk. In 1982, na de instorting van de Banco Ambrosiano, werd een rigoureuze scheiding ingevoerd tussen banken en industrie. Banken mochten geen belangen nemen in niet-financiële bedrijven. Deze maand is deze beperking ongedaan gemaakt. Het kabinet heeft in overleg met de Italiaanse bank de voorwaarden opgesteld waaronder banken een belang mogen nemen in een bedrijf. Zo is een maximum gesteld aan de financiële hulp van de banken.

“Het is de eerste pas naar een versterking van het hele produktieve systeem,” zei minister van Schatkist Piero Barucci. Voorlopig ligt de nadruk op de injectie van kapitaal voor noodlijdende bedrijven die nu mogelijk wordt. De nieuwe gouverneur van de Centrale Bank, Antonio Fazio, heeft gezegd dat “de regels niet in verband moeten worden gebracht met de moeilijke conjuncturele situatie.” Financiële hulp aan bedrijven “in moeilijkheden die niet van voorbijgaande aard zijn”, is verboden.

Zo moet worden voorkomen dat banken bedrijven gaan helpen die eigenlijk niet meer te redden zijn. De bankiers moeten de aard van de moeilijkheden zelf inschatten, zonder dat politici op hun schouder leunen. En daarbij zal een grote rol spelen dat de banken zelf het moeilijk hebben. Voor volgend jaar wordt een verdere stijging verwacht van de kredieten die niet zijn te innen. Onder de nieuwe regels mogen de banken bedrijven in nood, en dat zijn er veel in Italië, te hulp schieten. Maar voorlopig zijn de meeste banken zelf daar te zwak voor. Gianni Agnelli, de president van de Fiat-groep, voorspelde afgelopen weekeinde dat de Italiaanse economie uiteindelijk al deze problemen zal overwinnen. Maar voordat er sprake is van een volledig herstel, zo waarschuwde hij, zijn we vijf tot tien jaar verder.