Domme ondernemers?

Op welke manier kun je ondernemers zo ver krijgen dat ze zich gedragen zoals politici dat willen? In de Tweede Kamer heersen daarover verschillende meningen. De PvdA-fractie neemt het ene initiatief na het andere om ondernemers met fiscale middelen zo ver te krijgen dat ze zich milieu-vriendelijk, vrouw-vriendelijk, vaderlandslievend en anderszins politiek-conform gedragen. Het CDA volgt af en toe ook die lijn, terwijl de VVD juist de nadruk legt op het met rust laten van het bedrijfsleven en het gebruiken van het beschikbare geld voor tariefverlagingen.

Net terwijl kamerleden en bewindslieden elkaar links en rechts voorbijlopen met het bepleiten van fiscale stimuleringsregelingen, trekt de Algemene Rekenkamer de feestvreugde door de effectiviteit van zo'n maatregel in twijfel. Zij doet dat in haar vorige week gepresenteerde Juni-verslag 1993. Daarin bespreekt de Rekenkamer een fiscale faciliteit voor milieuvriendelijke investeringen (VAMIL). Wat blijkt: ondernemers zijn eigenzinnig. Ze laten hun investeringsbeslissingen nauwelijks benvloeden door het fiscale voordeeltje.

Toen de regeling in 1991 werd gentroduceerd, dacht men daar heel anders over. De bedenkers Vermeend en Melkert (beiden PvdA) gingen er van uit dat de faciliteit na een aanloopperiode, jaarlijks voor een miljard gulden aan milieuvriendelijke investeringen zou uitlokken. De methode van hun initiatiefwet is simpel. De investerende ondernemer mag de hele koopsom van een milieuvriendelijke bedrijfsmiddel in één keer als verliespost opvoeren. Normaal moet hij zo'n afschrijving over een aantal jaren spreiden. Door de belastingbetaling over de winst naar een later moment te verschuiven, heeft het bedrijf tijdelijk meer geld beschikbaar.

Spreekt dit voordeel het bedrijfsleven aan? Dat valt tegen. Door de bank genomen verdienen de ondernemers 2.000 gulden per aanvraag. Dat is voor velen kennelijk te weinig om zich de rompslomp op de hals te halen van de aanvraag die aan tal van voorwaarden moet voldoen en waar bovendien een accountantsverklaring bij moet zitten. In plaats van het voor 1992 begrootte aantal van 6.000 aanvragen, bleef de belangstelling steken bij 2.700. Dat waren bovendien vrij goedkope apparaten. Voorzien was een gemiddelde milieuvriendelijke aanschaf 140.000 gulden maar in de praktijk kocht men bedrijfsmiddelen van gemiddeld slechts 50.000 gulden. Al met al bedroeg de totale investeringssom nog geen zesde deel van wat Vermeend/Melkert hadden verwacht.

Daardoor vallen de kosten in vergelijking met het bereikte resultaat nogal uit de toon. Per aanvraag becijfert de Rekenkamer het gemiddelde profijt van de ondernemer 2.000 gulden. Om hem dit voordeel in handen te spelen, besteedt de overheid ongeveer 1.500 gulden aan de afhandeling van een aanvraag.

Als geestelijke vader van het plan reageert Vermeend geprikkeld op de aanval van de Rekenkamer op zijn troetelkind. Volgens Vermeend moet de Rekenkamer niet alleen rekenen; zij moet ook meer met praktijkmensen praten. Van hen hoort Vermeend dat het gemiddeld rendement per ondernemer zeker 5.000 gulden is. Bovendien meet hij het resultaat van de regeling mede af aan de besparingen in energie, grondstoffen en afval. Dit milieu-aspect heeft de Rekenkamer niet meegewogen.

Dat verweer van Vermeend kan niet verhullen dat het gebruik van de regeling ver beneden de verwachting blijft. Dat werpt een schaduw over de wens van zowel het kabinet als de vier grote kamerfracties om er snel een nieuwe vervroegde afschrijvingsregeling bij te maken. Dit keer om onderzoeks- en ontwikkelingskosten te stimuleren. Dat zou een belangrijke bijdrage moeten leveren aan onze afkalvende internationale concurrentiepositie.

Niet alleen politici kijken op van de geringe neiging van ondernemers zich te laten manipuleren door politieke initiatieven. In de fiscale vakpers klonken in 1991 waarschuwingen tegen een overmatig gebruik van de VAMIL-regeling. Dat gevaar heeft volgens de Rekenkamer alleen in fantasierijke geesten bestaan. Zelfs als er inderdaad voor het streefbedrag van één miljard gulden wordt genvesteerd, kost de VAMIL-regeling de schatkist hooguit 42 miljoen gulden per jaar. Toch wordt er jaarlijks 120 miljoen gulden voor uitgetrokken. Er is dus een structureel overschot. Als eerste heeft Vermeend zich aangemeld om daaruit te putten. Hij doet dat voor zijn plan voor een belastingvrijdom voor "groene' rente en dividend. Maar er is nog geld over voor andere kamerleden met leuke groene ideeën. Met zulk gul nieuws komt de Rekenkamer niet dagelijks.