Camargue

Op een schuurtje staat geschreven dat de Camargue door het toerisme wordt vermoord. Een raadselachtige boodschap. Je kijkt naar links, je kijkt naar rechts, je vraagt je af wat hier nog te vermoorden valt.

Vogels in overvloed, dat is waar. We stoppen voor alle mogelijke reigerachtigen, tot en met de kwak. We stoppen voor bijeneters en scharrelaars, voor een bedeesd steenuiltje en een pontificale slangenarend. We stoppen voor steltkluut, witwangstern en waaierstaartrietzanger, die in weerwil van zijn onafzienbare naam duidelijk omlijnde geluidjes produceert.

Steeds sta je op asfalt. Misschien is een dag te kort voor de Camargue, maar ik zie nergens een plek waar je je met de natuur zou kunnen verenigen, waar je zou willen wachten, waaraan je bij voorbaat met weemoed terugdenkt, nergens ruimte voor een illusie van ongereptheid.

Rijstvelden, zoutpannen, weidegrond voor witte paarden, zwarte runderen. Nergens ben je vrij van menselijk ingrijpen. Overal het juk van alles mooi en aardig, maar er moet wel brood op de plank. En overal de vloek van platgetreden hagelpatronen.

Daar komt nog bij dat het regent. Ik zal me de Camargue herinneren als een gebied waar het altijd regent.

Toerisme, de Camargue verdient niet beter. De vogels die er zijn, zijn er desondanks. Maar ja, dat geldt zo onderhand voor alle vogels, waar dan ook. Ik ga nog weleens terug.

    • Koos van Zomeren