Brave versie van Frank Sinatra's robuuste bestaan

Sinatra. Regie: James Sadwith. Met: Philip Casnoff, Olympia Dukakis, Gina Gershon, Rod Steiger. Uitgebracht op huurvideo door Warner Home Video.

Het is een aandoenlijk Danny de Munckje, met een boordloos kieltje en zo'n veel te grote pet, dat in de eerste tien minuten van de filmbiografie Sinatra de toon zet _ een ventje dat meer geinteresseerd is in bladmuziek dan in de straatschennerij van zijn leeftijdsgenootjes en dat, onder de bewonderende blikken van zijn lieve moeder, vol overgave losbarst in de patriottistische Star Spangled Banner. Zo begint de bijna vier uur durende verfilming van leven en werken van Frank Sinatra, vorig jaar als mini-serie op de Amerikaanse televisie uitgezonden en hier uitgebracht op video. Na tien minuten maakt het vertederende kereltje plaats voor de acteur Philip Casnoff, maar alles wat volgt, blijft in het teken staan van de man die alles altijd heus wel goed bedoelde, en die er niets aan kon doen als hij soms in moeilijkheden raakte. Ja, hij werd op een keer meegetroond naar het tafeltje van de mafia-koning Lucky Luciano en hij gaf de man een hand. Maar het was toch zijn schuld niet dat daarvan een foto werd gemaakt en dat de mensen daar verkeerde conclusies aan verbonden?

Zo braaf mogelijk, kortom, is Sinatra's robuuste bestaan hier gereduceerd tot een reeks vlakke scenes zonder hartstocht of anderssoortige spanning. Hooguit is waardering op te brengen voor de nauwkeurige art direction (platenhoezen en foto's uit de diverse Sinatra-biografieen zijn vaak letterlijk in beweging gezet) en voor de imitaties die ten beste worden gegeven van de orkestleiders Tommy Dorsey en Benny Goodman, collega's als Humphrey Bogart en Sammy Davis jr en van Ava Gardner, de vrouw die als de grote liefde in 's mans leven wordt gepresenteerd. In historisch opzicht is het dus allemaal wel in orde, al is er ongetwijfeld veel weggepoetst wat het beeld te genuanceerd zou maken. De enige keer dat de mafia-connectie serieus ter sprake komt _ als Sinatra in dat kamp steun verwerft voor Kennedy's presidentsnominatie _ gebeurt dat zo omzichtig en vaag dat er nauwelijks een touw aan valt vast te knopen.

Het algehele gebrek aan passie wordt nog verergerd door de verschijning van Philip Casnoff in de titelrol. Willoos loopt hij door de film, vaak als een verwend kind met een pruillip, en meestal gespeend van enige daadkracht. Het is alsof alles hem alleen maar overkomt, en alsof hij verdwaald is in zijn eigen levensverhaal. De echte Sinatra had in zijn gloriejaren een markante kop met scherpe trekken en fel fonkelende ogen, terwijl Casnoff alle gebaren en houdingen vlijtig heeft ingestudeerd, maar zelden enig karakter toont. Met wiens stem hij zingt, is onduidelijk. De titelrol schrijft additional vocals toe aan Tom Burlinson en Frank Sinatra jr. Diens zuster Tina Sinatra wordt vermeld als executive producer. Dat klinkt allemaal reuze betrouwbaar, maar het verklaart misschien tegelijk waarom alles zo nauwgezet aan de oppervlakte is gebleven.

De film eindigt in 1973, bij de eerste comeback van Ol' blue eyes. Casnoff is dan nog steeds de jongeman die hij bij zijn debuut, in 1943, ook al speelde. Er is, zo te zien, niets met hem gebeurd.

    • Henk van Gelder