Bambi zorgt niet meer voor tranen

Bambi. Regie: David D. Hand. Regie Nederlandse nasynchronisatie: Maria Lindes, Aart Staartjes. Met de stemmen van Aart Staartjes, Carol van Herwijnen, Maria Lindes, Marco Haanschoten, Sander van Zijl. In 52 theaters.

Eindelijk is hij weer in de Nederlandse bioscopen te zien: Bambi, (1942) de speelfilmlange animatiefilm over het jonge hertje dat zijn moeder verliest (de jagers!) en zijn vader leert kennen (de bosbrand!). Vooral op wie met deze film een van zijn eerste bioscoopervaringen opdeed, maakte Bambi een verpletterend indruk, waardoor er niet zelden in bijna mystieke termen over wordt gesproken. Denk aan Sneeuwwitje en je herinnert je angst. Denk aan Bambi en je voelt weer hoe onstuitbaar tranen kunnen opwellen. Want elk kind en menig vader of moeder kreeg natte ogen toen hij of zij na een droog geweersalvo het diertje moederziel alleen door het besneeuwde bos zag dwalen.

Wie nu opnieuw kennis maakt met Bambi, ontdekt hoe teerhartig we toen waren en hoe we werden gehard door het nu als standaard beschouwd effectbejag van film en televisie. Moderne kinderen zullen lang niet altijd meer in wanhoop vervallen wanneer het moederhert wordt neergeschoten, want ze zijn veel erger gewend. De moord wordt immers niet in beeld gebracht, en de kleine Bambi zien we maar heel even alleen lopen zoeken _ dan staat zijn sterke, grote vader al klaar om hem moed in te spreken. Hetzelfde geldt voor de bosbrand. Ook die wordt in onze geborneerde ogen zo weinig op zijn gevaar uitgebuit dat het effect minimaal is. Voeg daarbij de operetteske, alleen houterig vertaalbare songs die niet door de figuurtjes worden gezongen maar, bij wijze van geluidsdecor, door zangkoren en het is duidelijk dat Bambi verouderd is. Maar nog altijd is hij heel mooi _ misschien juist voor de kinderen en grote mensen van nu, want zijn kalme lyriek is weldadig en zijn geschiedenis eeuwig. Bijna met voorbijgaan aan de genoemde dramatische hoogtepunten vertelt Bambi voor alles hoe de loop van de seizoenen wordt ondergaan in het bos. Het wordt zomer, herfst, winter en weer lente _ dat is wat de jonge dieren, die we zien opgroeien, voorstuwt.

Walt Disneys bedoeling met Bambi, zijn vijfde avondvullende animatiefilm, was een zo realistisch mogelijk ogende film te creeren. Inderdaad heeft het bos waar de herten wonen dankzij de zogenaamde "multiplane'-techniek een ongelofelijke diepte en een weelde aan kleuren die zijn weerga niet kent. Vegetatie en natuurlijke bewegingen, door een briesje, door een regenbui, zien er op een bevreemdende manier zelfs "echter' uit dan wanneer ze werkelijk gefilmd zouden zijn. De volwassen dieren ogen reeel, ook al is hun oogopslag te lieftallig voor het dierenrijk. Voor de jonge dieren, met name voor Bambi en het konijn Stamper, ontleenden de tekenaars bewegingen en mimiek aan de menselijke kleutermotoriek, wat resulteerde in even schaamteloze als onweerstaanbare schattigheid.

    • Joyce Roodnat