Altviolist Yoeri Basjmet: “Ik deed het allemaal voor mijn moeder”

AMSTERDAM, 30 JUNI. De afgelopen jaren was de Russische altviolist en dirigent Yoeri Basjmet regelmatig in Nederland te horen met de Moscow Soloists, zijn eigen kamerorkest dat hij in 1986 oprichtte. Op vrijdag 2 juli zal Basjmet in het Amsterdamse Concertgebouw echter het Hilversumse Radio Kamerorkest dirigeren in de serie Zomerconcerten. Op het programma staan werken van Haydn, Mendelssohn en Bruckner, en daarnaast zal Bashmet de Suite in g voor altviool van Reger uitvoeren.

Wat zijn landgenoot Sjvatoslav Richter voor de piano betekent en Mstislav Rostropowitsj voor de cello, is Joeri Basjmet voor de altviool. Altviolisten worden nog vaak niet voor vol aangezien in het muziekleven, maar de nu veertigjarige Bashmet heeft als geen ander bewezen dat ook een altviool net zo goed duizelingwekkend virtuoos als juist subtiel en poëtisch kan klinken.

Speciaal voor Basjmet werden in Rusland zesentwintig altvioolstukken geschreven, waaronder composities van Denisov, Kancheli en Raskatov en Schnittke's Altvioolconcert, waarvan hij in 1986 in het Amsterdamse Concertgebouw de première speelde. Door de internationale pers wordt Basjmet in superlatieven geprezen, als instrumentalist vanwege zijn fenomenale verbeeldingskracht en zijn verfijnde techniek en als dirigent vanwege zijn muzikale raffinement en zijn vermogen door te dringen tot de kern van een compositie.

Basjmets keuze voor de altviool was min of meer toevallig: “Ik begon op mijn achtste viool te spelen. In Rusland is dat heel erg laat, maar ik was wel een van de beste leerlingen van de muziekschool in Lvov, een plaatsje in West-Oekrane. In die tijd speelde ik ook gitaar in een popgroep, want ik was bezeten van The Beatles. Daarom maakte het me geen zier uit of ik nu viool of altviool speelde. Dat het de altviool werd kwam door mijn moeder. Stolyarsky, de leraar van Oistrach, zei altijd: "Ik heb geen getalenteerde leerlingen nodig, maar getalenteerde moeders.' Zonder mijn moeder was ik waarschijnlijk nooit de klassieke muziek in gegaan, ik deed het allemaal voor haar.”

Op zijn achttiende werd Basjmet leerling van Vadim Borisovsky, aan het Conservatorium van Moskou, waar hij nu zelf docent is. “Borisovsky, de altviolist van het Beethoven Kwartet, was het opperhoofd van de Russische altviolisten. Een grote prachtige man die met veel gevoel speelde, een aristocraat uit de 19de eeuw. Hij heeft ongelooflijk veel voor het repertoire gedaan, net als Tertis in Amerika. Componisten schreven voor hem en hij maakte duizenden arrangementen. Een van zijn leerlingen was Feodor Druzhinin, bij wie ik later heb gestudeerd. Aan hem heeft Sjostakowitsj zijn Altvioolsonate opgedragen. Druzhinin kon niet zo goed spelen, maar hij had bijzondere ideeën en een imposante muzikale logica. Borosovsky had een fantastisch geluid, maar van Druzhinin heb ik partituren leren lezen.”

In 1976 won Basjmet het Internationale ARD Altviool Concours in München, waarna hij een veelgevraagd solist werd. Hij trad op met de beroemdste orkesten, en vanaf 1986 gaf hij met zijn Moskow Soloists overal ter wereld opmerkelijke concerten.

Met dit kamerorkest maakte hij bovendien enkele sublieme cd-opnamen, met werken van ondermeer Tsjaikofski, Schumann, Enesco, Britten en Schnittke. De pogingen van het ensemble zich buiten de Russische grenzen te vestigen liepen aanvankelijk op niets uit, totdat de Moscow Soloists in 1990 neerstreken in Montpellier. Basjmet zelf weigerde echter Moskou te verlaten, vanwege zijn familie en zijn lespraktijk. Hierdoor raakte hij al snel vervreemd van zijn eigen musici.

“Ik haatte de situatie in Montpellier. De musici werden kikkers in een kleine vijver. Ze wilden alleen nog maar veilig zijn en ijskasten kunnen kopen. Carnegie Hall, de Musik Verein, het Concertgebouw, Albert Hall, het interesseerde hen niet meer. Ook muzikaal gesproken viel er niet meer met ze te improviseren. Daarom besloot ik tot een scheiding.

“Vorig jaar richtte ik onder dezelfde naam een nieuw orkest op met jonge musici uit Moskou. De meesten studeren aan het conservatorium, ze houden nog van muziek zonder problemen te maken. Ze zijn niet al te cynisch en in voor nieuwe ideeën.” Het wonderlijke is dat de nieuwe Moscow Soloists bijna precies hetzelfde klinken als de oude. Het ensemble blinkt nog altijd uit in ragfijn samenspel en het beschikt als vanouds over een ongelooflijk palet aan klankleuren en dynamische schakeringen.

“Elke dirigent, elke solist, elke leider heeft zijn eigen gezicht, zijn eigen manier van denken en voelen, zijn eigen geluid. Ik projecteer wat ik in de muziek hoor, of dat nu goed is of niet, op de musici waarmee ik werk. Zodat zij spelen wat ik wil horen, de spanningsbogen en melodielijnen maken die ik herken in de muziek.

“Een gedifferentieerde dynamiek is misschien een van mijn geheimen. Maar wezenlijker zijn de kleuren van de muziek. Geluid is onze taal, dus net als met spreektaal is het belangrijk iedere frase uit te spreken met een andere intonatie en een andere kleur. Kleuren zijn mijn specialiteit, er zijn duizenden kleuren om emoties in uit te drukken. En bovendien moet alles glashelder zijn, anders werkt het niet.”

Opvallend aan Bashmets muzikale aanpak is de elegantie waarmee hij zich door verschillende stijlperioden beweegt. Daarbij gebruikt hij op onorthodoxe wijze de verworvenheden van zowel de romantisch-virtuoze als de authentieke benadering. “Ik heb speciale opvattingen over stijl. De laatste decennia zijn componisten als Schnittke muziek gaan schrijven, die niet alleen maar modern is of chauvinistisch en nationalistisch, zoals je dat veel ziet in Rusland. Schnittke gebruikt in zijn composities wat mensen al eerder ontdekten. In zijn muziek verwerkt hij allerlei elementen van de muziek van twee, drie of desnoods vijf eeuwen geleden. Om die reden wordt hij ten onrechte wel eens "polystilistisch' genoemd. Dat is onjuist, want door de persoonlijke manier waarmee Schnittke oude en nieuwe stijlen vermengt, ontstaat er toch een eigen idioom. Zoiets is er ook aan de hand met mijn eigen spel. Als ik in moderne muziek iets van een concerto grosso herken, dan speel of dirigeer ik dat op een barokmanier. Maar voel ik iets als impressionistisch of romantisch dan speel ik dat zo, al gaat het om de muziek van Bach. Misschien klinkt dit heel primitief, maar voor mezelf klopt het.

“Wat heeft Bach gedaan toen hij leefde? Ook hij at en dronk, kreeg kinderen en kende liefde, haat, problemen, dood. De mensen veranderen nooit, de hoofdzaken van het leven blijven altijd gelijk. Alle technische informatie staat in de partituur geschreven, daar lees je hoe de architectuur van een compositie in elkaar steekt. Maar intutie is in de muziek minstens zo belangrijk. Omdat ik geloof dat de verschillen tussen verleden en heden minder groot zijn dan we denken, veroorloof ik mij de vrijheid om me stilistisch onbekommerd door de eeuwen heen te bewegen.

“Mijn moeder luisterde altijd met haar maag naar muziek. Ze was geen musicus, maar ze voelde feilloos aan of iets oprecht was of geforceerd en bedacht. Als een concert echt overtuigend is, zal degene die luistert precies hetzelfde voelen als degene die iets uitvoert. In de muziek komt het verstand uiteindelijk toch op de tweede plaats.”