Voer voor konijnen

De groei van de nationale produktie en het daarmee verdiende nationale inkomen hapert.

Daarom verwacht het Centraal Planbureau dat de meeste Nederlanders er het volgend jaar enkele procenten in koopkracht op achteruit zullen gaan. De koopkrachtverliezen zijn evenwel ongelijk verdeeld. Zonder nadere maatregelen slinkt de koopkracht van de minima met bijna vier procent. Hun uitkering gaat in 1994 niet omhoog, terwijl stijgende kosten van levensonderhoud en hogere gemeentelijke heffingen de koopkracht van hun uitkering uithollen. De modale werknemer, die bruto 45.000 gulden verdient, verliest twee procent koopkracht, tenzij hij door promotie of een periodieke salarisverbetering extra gaat verdienen. Dan komt hij in de buurt van de nullijn terecht. De resultaten van zulke koopkrachtoverzichten moeten met een korrel zout worden genomen. In werkelijkheid zullen onze inkomens volgend jaar - behalve door overheidsmaatregelen - worden benvloed door tal van factoren waarmee Haagse cijferkonijnen geen rekening houden. Toch wijst alles erop dat de inkomensverschillen in 1994 opnieuw tamelijk fors zullen toenemen.

De kleinste coalitiepartner heeft het hier moeilijk mee. Sinds de PvdA in 1989 weer ging meeregeren, zijn de inkomensverschillen voortdurend toegenomen. De uitkeringen blijven sinds 1991 achter bij de cao-lonen en de overheid schrikt er voor terug de hoge inkomens af te romen. Dat kan namelijk alleen door het toptarief van de inkomstenbelasting (IB) te verhogen en die maatregel kan de vaderlandse economie grote schade berokkenen. Nederland is met de overige EG-lidstaten in een steeds scherper wordende takscompetitie verwikkeld. Het IB-toptarief is hier al het hoogste. Verder opschroeven er van leidt tot afwenteling, hogere loonkosten en banenverlies.

Toch is het mogelijk volgend jaar evenwichtige inkomensmutaties te bereiken, zonder de tariefpercentages van de IB te verhogen. Sterker nog, voor de meeste Nederlanders kan het tarief omlaag. Hierna volgt wat krachtvoer voor de cijferkonijnen.

De Nederlandse inkomstenbelasting kent nu een drie-schijventarief. Voor zover het inkomen hoger is dan de belastingvrije som van 5.770 gulden (de basisaftrek) wordt het belast tegen een oplopend percentage. Over de eerste schijf van 43.000 gulden is 38,4 procent verschuldigd, van de volgende schijf van 43.000 gulden staat de belastingbetaler vijftig procent aan de fiscus af en wie meer verdient dan 92.000 gulden is over het meerdere zestig procent kwijt. Net zoals elke aftrekpost en vrijstelling is de belastingbesparing door de basisaftrek meer waard naarmate de belastingbetaler in een hogere schijf valt. Het voordeel loopt op van 2215 gulden voor mensen in de eerste schijf tot 3462 gulden voor mensen die met hun inkomen in de hoogste schijf steken. Door de basisaftrek te vervangen door een voor alle belastingbetalers gelijke heffingskorting van 2215 gulden, gaan de middengroepen in de tweede schijf er in eerste aanleg 670 gulden per jaar op achteruit; de hoogste inkomens verliezen 1247 gulden.

Deze ingreep levert de schatkist drie miljard gulden op. Dat bedrag is beschikbaar voor een tariefverlaging, waarvan alle belastingbetalers profiteren: de heffingskorting kan voor iedereen met 350 gulden omhoog. Zo'n maatregel kost de schatkist ongeveer drie miljard en hij betekent voor de minima een koopkrachtverbetering met bijna twee procent, terwijl het koopkrachtverlies voor de middengroepen in de tweede schijf per saldo beperkt blijft tot 320 gulden (670 min 350).

Daarnaast is het gewenst de tariefpercentages te verlagen. Zodoende krimpt de wig tussen loonkosten en het bijbehorende nettoloon. Dit maakt het voor werkgevers eerder lonend mensen in dienst te nemen. Voor werknemers wordt het aantrekkelijker om (over) te werken. Een verlaging van het percentage van de eerste schijf met twee procentpunten vergt ongeveer vijf miljard gulden. De koopkracht op minimumniveau neemt hierdoor met nog eens één procent toe. Het besteedbaar inkomen van de modale werknemer groeit door deze lastenverlichting met ongeveer 750 gulden. Met inbegrip van de 350 gulden hogere heffingskorting zakt zijn belastingdruk in totaal met 1100 gulden. De middengroepen en de hogere inkomens betalen over hun inkomen in de eerste schijf 860 gulden minder (twee procent van 43.000 gulden). Voor de middengroepen betekent de operatie per saldo een belastingverlaging van ongeveer 560 gulden (350 + 860 - 670). Veelverdieners in de derde schijf gaan er door de operatie niet op achteruit. Zij profiteren van de hogere heffingskorting (350 gulden) en de tariefverlaging in de eerste schijf (860 gulden). Daar tegenover staat een nadeel van 1247 gulden door de omzetting van de basisaftrek in een heffingskorting.

De regering zou het budgettaire verlies van vijf miljard kunnen dekken door belastingverhogingen die goed zijn voor mens en milieu. De accijnzen op alcohol en tabak kunnen fors omhoog, ook al omdat die elders in Europa vaak een stuk hoger zijn. Het tarief van de motorrijtuigenbelasting kan worden verdubbeld. In de koopkrachtoverzichten stijgen hierdoor de kosten van levensonderhoud. Maar het gaat hier om een gemiddelde. In feite worden alleen rokers, drinkers en automobilisten getroffen. Zij betalen de rekening voor een lager inkomstenbelastingtarief, waardoor sparen en werken fiscaal minder worden afgestraft.