SCHARROO

H.A. van Wijnen probeert in zijn column in NRC Handelsblad van 8 mei en twee daarop volgende, aan te tonen dat een groot deel van het vooroorlogse Nederlandse officierscorp pro-Duits was en dat Nederland daarom in de oorlogsdagen zo slecht verdedigd is. Als voorbeeld voert hij P.W. Scharroo aan.

Voor een goed begrip van de kwalificatie pro-Duits sluit ik mij aan bij het stuk van G. Beelaerts van Blokland (21 mei) die het vooroorlogs klimaat zelf gekend heeft. Om te beginnen: Scharroo was geen NSB'er. Integendeel, hij was konings- en oranjegezind en had een grote verering voor onze koningin Wilhelmina. Ik kan dit uit eigen ervaring bevestigen omdat kolonel Scharroo sinds de mobilisatie in 1939 in mijn ouderlijk huis aan de Javastraat 10 ingekwartierd was. Op 10 mei 1940 hebben wij hem nog gewekt toen de Duitse vliegtuigen op de Nieuwe Maas landden. Van enige waarschuwing van de Nederlandse legerleiding was geen sprake. Hij ging daarop snel met zijn chauffeur naar zijn hoofdkwartier aan de Veemarkt en wij zagen hem pas na de overgave van Rotterdam als een gebroken mens terug.

Rotterdam werd niet verdedigd door één commandant, de mariniers bijvoorbeeld vielen niet onder het bevel van Scharroo. De troepen die wel onder zijn bevel vielen, waren genie-troepen en geen gevechtseenheden. Rotterdam was er niet op voorbereid dat het als stad in de frontlinie zou komen te liggen. Kolonel Scharroo was geen vechtersbaas maar een technicus, specialist op het gebied van wegenbouw en bouwkunde. In de gegeven situatie moest Rotterdam uiteindelijk zwichten voor een zuiver terreurbombardement. In het rijk der demonen was een pro-Duitse, of een pro-Engelse instelling van de leiding geheel irrelevant, evenals de invloed die van de één, of van de ander zou zijn uitgegaan op het moreel van de troepen. Even onzinnig is de vraag, of Scharroo Rotterdam heroscher had moeten verdedigen. Misschien mogen we achteraf zeggen dat hij onherosch toch geprobeerd heeft er het beste van te maken en dat het lot van de stad, waar zijn familie woonde, hem ter harte ging. Gelukkig maar, want ik was niet graag op het altaar van Van Wijnens herosche leiding geofferd. Een tweede bombardementseskader was namelijk op 14 mei 1940 al onderweg om de rest van Rotterdam van de kaart te vegen en dus ook het gedeelte waar wij ons in een schuilkelder ophielden.

    • Mr. L.J. Pieters