Maij vaag over extra kosten Wijkertunnel

DEN HAAG, 29 JUNI. Minister Maij-Weggen (verkeer en waterstaat) kan niet aangeven wat de extra kosten voor de staat zijn als het contract over private financiering van de Wijkertunnel op verzoek van de ING-Bank moet worden opengebroken. Omdat de kans op openbreken volgens haar erg klein is, lijkt dit de minister niet erg.

Maij-Weggen schrijft dit in een brief aan de Tweede Kamer die is geschreven op verzoek van de oppositiepartijen. Vorige week vroeg de oppositie tijdens een spoeddebat over de Wijkertunnel om meer uitleg over het verschil tussen de vervoersprognoses van de ING-Bank, de financier van de tunnel, en die van het ministerie zelf. De Tweede Kamer wilde weten onder welke omstandigheden het contract moet worden opengebroken en wat dit voor financiële gevolgen heeft. De minister sprak tijdens het debat over “een hoog hek” dat openbreken van het contract vrijwel onmogelijk zou maken. Ook zat er volgens haar niet zo'n groot verschil tussen de vervoersprognoses van de ING-Bank en die van het ministerie als de Tweede Kamer veronderstelde. Deze vervoersprognoses zijn een belangrijke maatstaf bij het vaststellen van de prijs van het contract.

In de brief somt Maij-Weggen vier voorwaarden op waaraan moet worden voldaan alvorens het contract over de Wijkertunnel kan worden opengebroken, waarbij zij aantekent dat de uitkomst van het overleg dat dan volgt “nog helemaal niet vaststaat”. Volgens de minister moet voor het openbreken van het contract zeker zijn dat het aantal door de tunnel rijdende auto's tien procent afwijkt van de vervoersprognoses van de ING-Bank, dat de staat mobiliteitsremmende maatregelen heeft genomen die verder gaan dan het nu voorgenomen beleid en dat tussen die maatregelen en de afwijking van de vervoersprognoses een direct verband bestaat. Tenslotte moet de afwijking van de vervoersprognoses structureel zijn.

Maij-Weggen schrijft vervolgens dat het ministerie naar aanleiding van de discussie in de Tweede Kamer diverse pogingen heeft ondernomen om de “materiële betekenis” van het verschil tussen de vervoersprognoses van het ministerie en die van de ING-Bank te achterhalen. Dit verschil bedraagt volgens de minister twee procent, wat zij eerder “marginaal” noemde. De pogingen om te achterhalen wat dit verschil de staat zou kunnen kosten zijn echter “vastgelopen”, aldus de brief, “omdat het aantal onzekerheden bij een dergelijke berekening te groot zijn”. Onduidelijk is hoe groot de afwijking van de vervoersprognoses zal zijn, hoe de overheid daarop met beleid zal reageren en wat de uitkomst van het overleg met de ING-Bank zal opleveren. Volgens Maij-Weggen is een dergelijke berekening echter ook zinloos: door de vier eerder opgesomde voorwaarden is de kans erg klein dat de ING-Bank het contract openbreekt.

VVD en D66 hadden de brief van de minister vanmorgen nog niet ontvangen. Het Kamerlid Lankhorst (GroenLinks) zei dat het “belachelijk blijft” dat minister Maij-Weggen niet precies duidelijk kan maken wat de gevolgen voor de staat zijn van het verschil tussen de vervoersprognoses van de ING-Bank en die van het ministerie. Een motie van de VVD waarin de onderhandelingsvaardigheid van de minister “onbekwaam” werd genoemd, werd vorige week slechts ondersteund door GroenLinks.