Klas Torstensson: demonisch maar ook licht en lyrisch

Concert door Charlotte Riedijk, sopraan, Leo van Oostrom, saxofoon en pianoduo Gerard Bouwhuis-Cees van Zeeland. Werken van Klas Torstensson. Gehoord: 28/6 De IJsbreker, Amsterdam.

Graaf Franz Logi, een gefortuneerde Tsjechische muziekliefhebber, placht na het diner wat viool te spelen met zijn clavecinist. Bekend is hoe hij soms in extase raakte, zoals bij een wel aangebrachte dissonant in een werk van Fux, waar hij maar niet genoeg van kon krijgen: “deze toon is waarlijk van het zuiverste goud!”

De in 1951 in Zweden geboren componist Klas Torstensson, die sinds 1973 in Nederland woont - en op de valreep de centrale figuur is in het Holland Festival gisteravond in De IJsbreker en vanavond in het Concertgebouw - schrijft werken die aan deze anekdote herinneren: met spanning verwekkende akkoorden waar hij maar niet van los kan komen, waarvan hij hamerend bezit neemt, Torstensson kruipt als het ware in een klank. Ruw is mooi, zo schrijft de componist ergens. Voordat Torstensson in Nederland kwam werken aan het Instituut voor Sonologie te Utrecht en in Asko-Workshops in Amsterdam speelde hij basgitaar in Zweedse popgroepen en dat is eraan af te horen, Torstenssons obsessie voor de fysieke directheid van de klank herinnert aan de stijl van Varèse en Xenakis. Zo leunt het derde deel van zijn verreweg interessantste compositie Koorde voor twee piano's uit 1990 - formidabel trefzeker vertolkt door Gerard Bouwhuis en Cees van Zeeland - sterk tegen Xenakis Evryali. In het middendeel wordt het binnenwerk van de vleugels verkend, waarin ook George Crumb zo graag in verwijlt, maar met welk een verschil! Crumb speelt demonie, maar Torstensson is demonisch.

Daarbij vergeleken is het maar behelpen met de composities voor saxofoon zoals Solo uit 1988 en Hamra uit 1991. Een eenstemmig instrument klinkt voor Torstensson te beperkt. Vandaar dat Hamra nogal eens meerstemmigheid suggereert, bijvoorbeeld in het eerste deel in het spel met de chromatische, naar omlaag duikende toonladders, waarvan de bovenste noten los komen te staan. Die toonladders maken de indruk alsof Torstensson steeds weer met dergelijke aanloopjes probeert de grenzen van het instrument te verleggen.

Solo is het eerste deel van een triologie, waarbij het begin de binnenkant van de bassaxofoon verkent: toonvorming en mechaniek worden door versterking opgeblazen. Zeer theatraal is daarbij het gebruik van de stilte, als een weer op adem komen voor de volgende poging om tegen de wand op te beuken.

Nieuw in Torstenssons ontwikkeling is zeker Urban Solo, in de vorm van twee liederen voor een crotale - en maracas - spelende, voetstampende, vingerknippende en om haar as draaiende sopraan, de soloversie van een opdracht van het Parijse IRCAM met een bezetting van sopraan, groot ensemble en computers voor het Ensemble InterContemporain. Momenten van goud, om met de bovengenoemde Tsjechische graaf te spreken, geven de lyrische vocalisen in het tweede lied, bedoeld als contrast voor de ritmisch felle rap music. Die soloversie is mij overigens te kaal en bijna onbegrijpelijk licht en lyrisch binnen het agressief aardse oeuvre van deze componist.

Vanavond klinkt nog in het Amsterdamse Concertgebouw Torstensson's eerste grote orkestwerk Stick on Stick bij het Radio Symfonie Orkest onder leiding van Zoltan Pesko, met weer fel repeterende zeer hoge (vier piccolo's) en zeer lage klanken.

    • Ernst Vermeulen