Het leukste woordenboek van de negentiende eeuw mechanisch herdrukt; Woorden die een verhaal vertellen

De Beer en Laurillard: Woordenschat. Met een uitvoerige historische inleiding. Uitgeverij RuitenbergBoek 1993, Hoevelaken. ƒ 87,50 ISBN 90 72540 79 4

Hij kwam op het idee toen Herman Frylink in 1871 Gevleugelde woorden publiceerde. Taco H. de Beer (1838-1923) was indertijd schoolmeester te Goes. Hij had een toneelstuk geschreven, gedichten gepubliceerd, verscheidene boeken vertaald en met grote regelmaat schreef hij voor diverse letterkundige bladen.

De Beer vond Frylinks bewerking van het beroemde Duitse citatenwoordenboek van Georg Büchmann maar niks. Bij citaten, vond hij, moest je niet alleen de bron vermelden, maar vooral ook “onder welke omstandigheden zij voorkomen”.

De schoolmeester uit Goes begon daarop boeken te verzamelen waarin spreekwoorden en uitdrukkingen werden verklaard. Hoe zijn eigen boek er uit moest gaan zien stond hem echter nog niet helder voor de geest.

In 1873 ontmoette De Beer op het Letterkundig Congres in Antwerpen dominee Eliza Laurillard (1830-1908). Laurillard was toen al een bekendheid. Hij was zeer geliefd als predikant van de Oude Kerk in Amsterdam en had al enkele dichtbundels en stichtelijke boeken op zijn naam staan. Daarnaast publiceerde hij in het tijdschrift De Navorscher over allerlei taalkundige, historische en volkskundige marginalia - materiaal dat hij later in een paar boeken verwerkte. Zij raakten bevriend en hun vriendschap bloeide op toen De Beer in 1877 leraar in Amsterdam werd.

Intussen was De Beer ijverig doorgegaan met het verzamelen van materiaal voor zijn boek. In welke vorm hij dit zou gieten, werd duidelijk toen hij kennismaakte met de Dictionary of Phrase and Fable van de Brit Ebenezer Cobham Brewer. Dit woordenboek, waarvan de eerste druk was verschenen in 1870, beschreef de verklaring en herkomst van gangbare uitdrukkingen, volksdwalingen en “words that have a Tale to Tell”.

Samen met Laurillard stelde De Beer nu een "program' op voor een eigen woordenboek, dat als werktitel kreeg: “Woordenschat. Verklaring van woorden en uitdrukkingen, waaraan eene geschiedenis verbonden is”. Later werd de ondertitel ingekort, waarschijnlijk omdat hij te veel leek op die van Brewer.

In 1892 - twintig jaar na het oorspronkelijke idee - waren De Beer en Laurillard zover dat een prospectus kon worden verstuurd. Daarin werden gouden bergen beloofd. In Woordenschat zou in alfabetische volgorde “inlichting en zoveel mogelijk verklaring” worden gegeven over een indrukwekkende hoeveelheid onderwerpen. De symboliek van bloemen en kleuren zou worden behandeld, evenals bijbelse en historische namen, hoofdpersonen en titels van beroemde werken, citaten in verschillende talen, wapenspreuken en leuzen, mythologische namen, heiligendagen, pseudoniemen, merkwaardige etymologieën, scheld- en spotnamen, biografische en historische "kleinigheden', spreekwijzen en spreekwoorden, volksdwalingen en Israelitische, Romeinse en Griekse antiquiteiten. En nog veel meer.

Voor alle trefwoorden gold dat ze in de spreek- of schrijftaal werden gebruikt, maar in de gangbare woordenboeken en encyclopedieën niet of slechts beknopt werden behandeld. De koper werd een zo goed als volledig woordenboek in het vooruitzicht gesteld.

Een keur van specialisten zou meewerken aan het nieuwe naslagwerk. De "Voorlopige Naamlijst der Medewerkers' telde, buiten de redactie, ruim dertig namen. Zo tekende P.J.H. Cuypers, die in het decennium daarvoor in Amsterdam het Rijksmuseum en het Centraal Station had gebouwd, voor de rubriek "architectuur'. De Leidse hoogleraar Jan te Winkel nam de rubriek "filologie' voor zijn rekening en T. Tal, opperrabijn van Gelderland, de rubriek "oudheden en Hebreeuwse taal'.

Voor de rubriek "jargon' was een extra blik deskundigen opengetrokken: Justus van Maurik zou het Amsterdams gaan beschrijven en W. Zuidema het studentenjargon, terwijl P.W. Steenkamp, hoofdcommissaris van politie te Amsterdam, zijn kennis van het Bargoens zou aandragen. Daarnaast waren er specialisten aangetrokken voor sport- en zeetermen, toneeltaal, en de terminologie van jagers en vissers.

Maakten De Beer en Laurillard waar wat zij beloofden? Niet helemaal. In de eerste plaats duurde het niet drie jaar voordat het woordenboek was voltooid, maar ruim zeven. Het aangekondigde aanhangsel, waarnaar in het woordenboek met regelmaat wordt verwezen, zou nooit verschijnen. Prominente medewerkers als Justus van Maurik en de Amsterdamse hoofdcommissaris verdwenen zonder nadere toelichting van het toneel; van anderen werd betreurd dat ze wegens ziekte, dood of "vertrek naar Pretoria' hadden moeten afhaken.

Wie de tekst van de prospectus naast het definitieve Voorbericht legt, ontdekt bovendien dat er uit de omschrijving van de inhoud plotseling verschillende rubrieken zijn verdwenen. De symboliek van bloemen en kleuren; bijbelse en historische namen; hoofdpersonen en titels van beroemde werken; pseudoniemen - in het woordenboek komt men hier mondjesmaat nog iets van tegen maar uit het programma zijn deze rubrieken resoluut geschrapt.

Bovendien blijken de samenstellers veel zwaarder op het woordenboek van Brewer te hebben geleund dan De Beer wil toegeven. Wie beide woordenboeken naast elkaar legt ontdekt dat tal van trefwoorden gewoon uit het Engels zijn vertaald.

Dit alles neemt niet weg dat Woordenschat stellig het leukste woordenboek is dat de negentiende eeuw heeft voortgebracht. De meeste "trefwoorden' bestaan uit korte verhaaltjes, soms wel een kolom lang. In geen enkel ander naslagwerk uit die tijd vindt men zo veel bijnamen, eponiemen of woorden van Hebreeuwse herkomst. Nergens vindt men zo veel Bargoens en "toneeltaal'. Woordenschat is het eerste Nederlandstalige woordenboek dat systematisch studententaal, militair vakjargon en soldatenslang vermeldt.

De Beer en Laurillard gingen hierbij overigens een stuk minder preuts te werk dan hun tijdgenoten. Bij het studentenwoord bokken weken ze, in overeenstemming met de lexicografische traditie van die tijd, nog uit naar het Latijn (meretrices. d.w.z. hoeren). Maar bij de uitdrukking scherp staan staat openlijk dat dit onder militairen werd gebruikt voor “wellustige hartstochten koesteren”. Alles bij elkaar vindt men in geen ander negentiende-eeuws lexicon zo veel absurde, curieuze, krankzinnige, informatieve, gekleurde en tijdgebonden artikelen. Ook voor de wetenschap blijkt er veel te halen: Woordenschat wordt eindeloos geciteerd in het Woordenboek der Nederlandsche Taal.

De recensies van Woordenschat waren goed. Zo schreef de Maastrichtse schoolmeester en woordenboekmaker M.J. Koenen: “De tweede aflevering geeft, evenals de eerste, blijk van de groote zorg, waarmede dit werk tot stand wordt gebracht. Wij hebben de 128 kolommen met aandacht gelezen en kunnen niets anders dan de nauwkeurigheid roemen.”

Desondanks was de belangstelling voor Woordenschat aanvankelijk gering. Volgens De Beer kwam dit omdat het boek, dat buiten intekening ƒ 22,50 kostte, veel te duur was geworden. Toen er in het eerste half jaar toch nog 800 van werden verkocht, liet de uitgever er 1.000 exemplaren bijdrukken.

Het gevolg was dat men uiteindelijk met zo'n 1.500 onverkochte exemplaren bleef zitten. Die werden in 1908 met een nieuwe titelpagina op de markt gebracht, waarop in vette letters "Goedkoope uitgaaf' was gedrukt. Zo hoopte men bij het publiek de indruk te wekken dat het om een nieuwe uitgave ging en het boek alsnog te slijten.

Blijkbaar is dat indertijd goed gelukt, want al sinds lange tijd is Woordenschat even gezocht als onvindbaar. Wie het boek bezit, koestert het als een onuitputtelijke Fundgrube. Voor velen zal het daarom een opluchting zijn dat vanaf vandaag eindelijk een fotomechanische herdruk te verkrijgen is. Voor De Beer en Laurillard betekent dit een eerherstel voor hun bijzondere lexicografische inspanningen - precies honderd jaar na het verschijnen van de eerste aflevering.