Enzensberger

Zou nog ergens onderwezen worden dat de woede een van de zeven hoofdzonden is? In een klooster ver van de weg misschien. In de rest van de wereld is de woede van een zonde een deugd geworden, een mensenrecht, een vorm van geestelijke hygiëne, een plicht bijna. Een vaardigheid die wordt aangeleerd op een cursus creatief schrijven. Een vorm van authenticiteit en integriteit. Het is moeilijk om het besef levend te houden dat de woede een zonde is, als dagelijks politici en vakbondsleiders triomfantelijk van hun woede getuigen. Zo kon het gebeuren dat meer dan een miljoen Nederlanders een kaart naar Duitsland stuurden met de tekst “Ik ben woedend.” Ze werden er niet door afgeschrikt dat hun beeldbuis dagelijks bijna knapt door de gewapende woedeaanvallen die er voorbijtrekken. Zondig zullen ze zich niet gevoeld hebben. Het zou waarschijnlijk meer indruk in Duitsland maken als een miljoen kaarten zouden zeggen: ik ben bang. Maar die tekst is te slap om door miljoenen in de mond te worden genomen. Een actie om te getuigen “ik ben jaloers en vraatzuchtig” zou nog meer kans van slagen hebben, dat zijn tenminste vormen van gezonde moderne zelfverwezenlijking.

Het essay dat Hans Magnus Enzensberger vorige week in Der Spiegel schreef, riep in Duitsland en Nederland veel reacties op. Ik las dat hij had geschreven dat de moorden die in Duitsland op buitenlanders zijn gepleegd niet politiek waren, en ik dacht: dat zegt niet veel, de politiek zelf is ook niet meer zo politiek. Daar bleek zijn artikel Ausblicke auf den Bürgerkrieg dan ook over te gaan. Het ging er over dat het politiek geweld in tegenstelling tot twintig jaar geleden nauwelijks politieke motivering meer nodig heeft en van gewoon crimineel geweld niet meer te onderscheiden is. Een jonge Duitse skinhead die op mensenjacht gaat en als hij gearresteerd wordt alleen weet te zeggen dat hij zich verveelde. Een linkse verzetsbeweging in Zuid-Amerika die een vanzelfsprekend verbond aangaat met de drugshandel en de boeren voor wie ze zegt op te komen even vanzelfsprekend uitroeit. Een man in Texas die op een toren klimt en een mitrailleur richt op de menigte beneden. Het zijn voor Enzensberger manifestaties van hetzelfde virus. Ongerichte haat en woede die op ieder willekeurig object gericht kan worden. Die niet alleen naar vernietiging streeft, maar ook naar zelfvernietiging.

Het zal toevallig zijn, maar elders in dat nummer van Der Spiegel stond een stuk dat als illustratie bij het essay van Enzensberger kon dienen. Een Engelse schrijver, Tony Parker, publiceerde een boek met gesprekken met Engelse moordenaars. Er was er een die vertelde dat hij op straat was en een man voorbijliep die in dezelfde richting ging. Iemand die hij nog nooit gezien had. Oi, oi, zei die man zachtjes. Dat was genoeg. De moordenaar pakte zijn mes en stak hem dood. “Niet zozeer om hem om te brengen, weet je. Alleen om hem wat bij te brengen, hem wat te doen waardoor hij zich me zou herinneren.” Het verschil tussen die Engelse moordenaar en de Duitse brandstichters is voor Enzensberger onbetekenend en niet ter zake.

Er is Enzensberger in Nederland verweten dat hij de Duitse moorden op buitenlanders onschuldiger maakt dan ze zijn, door de politieke motivering te bagatelliseren. Het zou een onverdiende geruststelling voor de Duitsers zijn als het geweld niet politiek van aard zou zijn. Het is maar wat je een geruststelling noemt. Maar het is waar, als het model voor de politieke moordenaars de man zou zijn die in Texas met een geweer op een toren klom, of de Engelse messensteker die aan twee woorden genoeg had om een willekeurig slachtoffer te vinden, dan wordt het voor ons moeilijker om woedend te zijn. De emoties die zich dan opdringen zijn verbijstering, angst en misschien zelfs medelijden, niet alleen met de slachtoffers, maar ook met de daders.

Je zou Enzensberger eerder kunnen verwijten dat hij, met de onverantwoordelijkheid van de intellectueel in de roes van zijn theorieën, een beeld schept dat niet geruststellend is, maar juist zo inktzwart dat het iedere poging tot handelen bij voorbaat futiel doet lijken. De woede is niet de enige zonde die het bloed sneller kan doen stromen. De lust in de intellectuele ondergangsfantasie is er ook een. Enzensberger beschrijft een wereld waarin orde en samenhang zijn weggevallen, geweld willekeurig een doel zoekt en een oorlog van allen tegen allen woedt. Hoe somber zo'n beeld ook is, het is altijd verkwikkend om het op te schrijven. De chaos, hoe bedreigend ook, geeft aan de schrijftafel een gevoel van bevrijding. En de neiging is sterk om het er dan maar wat dik bovenop te leggen, omwille van de schoonheid van de theorie. “Op deze manier kan iedere metrowagon een klein Bosnië worden”, schrijft Enzensberger. Zo'n verschrikkelijke zin kan je alleen opschrijven als je bevangen bent door de zwarte schoonheid van de chaos.

Aan het eind van zijn artikel lijkt Enzensberger opeens te beseffen dat hij als een soort geweten van de natie geldt en dat er behalve intellectuele speculatie ook verantwoordelijke woorden van hem verwacht worden. Dan komt hij met een aanbeveling. De Duitsers moeten niet proberen om in de hele wereld orde op zaken te stellen. Dat is onmogelijk en het wordt juist van Duitsland niet gewaardeerd. Verhinderen dat weer gebeurt wat in Solingen, Mölln, Rostock en elders is gebeurd, dat is de taak van de Duitsers en daarvoor zijn hun handelingsmogelijkheden toereikend. Verstandige woorden aan het eind, maar ze passen volstrekt niet bij de rest van zijn artikel. Als die waar zouden zijn, dan zijn de handelingsmogelijkheden van de Duitsers, en straks die van ons, nu juist totaal ontoereikend. Tegen de ongerichte haat van de Texaanse schutter staan traditionele vormen van politieke actie machteloos, zeker als die schutter ook de zelfvernietiging nastreeft, en andere vormen van actie biedt Enzensberger in zijn essay niet aan. Het is alsof hij eerst met een zeker welbehagen de apocalyps schetst en dan blijmoedig besluit dat een padvindersknoop wel uitkomst zal bieden. Zijn schets van de op ons af komende chaos zal door iedereen wel een beetje herkend worden. Ja, zo is het hier en daar, en steeds vaker, dat zal de reactie van bijna iedere lezer zijn. Als het de hele waarheid zou zijn, zou de enige passende reactie een miljoenenvoudige machteloze kreet zijn, "ik ben bang'. Het mag een troost zijn dat het essay van Enzensberger met zijn radicale ondergangsvisioen een wel heel oerduitse indruk maakt.

    • Hans Ree