Duitsers moeten luchtiger Neue Rundschau 104/3. ...

Duitsers moeten luchtiger Neue Rundschau 104/3. S.Fischer Verlag, 176 blz. 15 DM

Bidet is pronkstuk beschaving Yang 1993/2. 81 blz., ƒ 17. Postbus 245, B-9000 Gent.

Duitsers moeten luchtiger

Zelfs zonder de hele "Entstasifizierungsfrage' zit de hedendaagse Duitse auteur niet in een positie om jaloers op te worden, zegt Fischers kwartaalblad Neue Rundschau. Zoiets als jarenlange lezerstrouw lijkt niet meer te bestaan, en buitenlandse auteurs krijgen toch al meer aandacht in de pers dan Duitse. Sinds een jaar of twintig dalen de eigen oplagen, en daarmee de inkomsten.

De redactie wijst voorzichtig met een klein vingertje naar de Duitse schrijvers zelf, die het de lezers al te moeilijk gemaakt hebben in hun weldoordachte pogingen zoveel mogelijk verwachtingshorizonnen te doorbreken. Misschien moeten schrijvers, al was het maar uit zelfbehoud, het de weinige overgebleven lezers weer eens gemakkelijker gaan maken? Lang genoeg hebben schrijvers zich als vanzelfsprekend van de burgerlijke massa afgewend. Zulk hoogmoedig avantgardisme is passé, stelt Neue Rundschau met klem.

Gert Ueding zoekt in "Massenware oder stille Kirche' naar een historische verklaring voor het feit dat de Duitse nationale literatuur in eigen land minder populair is dan de buitenlandse. Sinds Schiller heerst volgens hem onder Duitse schrijvers de opvatting dat het volk hooguit een "kinderverstand' heeft en voor "hogere schoonheid' geen gevoel ontwikkelen kan. Het intellectualistische heeft het glansrijk gewonnen van het populaire, dat vervolgens als banaal en triviaal terzijde geschoven werd. Maar, zegt Ueding zijns ondanks belerend, het meedogenloze onderscheid tussen een ongepolijste, ruwe smaak en de zo opgehemelde fijnproeversgevoeligheid - Schillers "Ungleichheit des Geschmacks' - is door de naoorlogse literatuur alleen maar verscherpt in plaats van gladgestreken.

Hij heeft het over een soevereine minachting van het publiek en over een literaire bunkermentaliteit. "Kunstliteratuur' mag best onderhoudend zijn, vindt Ueding. En alleen de Duitse literatuur heeft zich sinds de achttiende eeuw nadrukkelijk van het publiek afgewend; ziet tot op de dag van vandaag hermetisme op fatale wijze aan voor een hoogstaande vorm van originaliteit. Waarmee het vooroordeel bevestigd wordt: Duitse literatuur is moeilijk en diepzinnig, vertaalde boeken zijn lichtvoetig.

Hoe komt de Duitse literatuur uit de marge, vraagt Neue Rundschau met tien toegespitste bijdragen in dit themanummer. Redacteur Uwe Wittstock stelt grimmig vast dat de gemiddelde oplage voor een prozaboek van een serieus te nemen jonge schrijver tegenwoordig slechts 1500 exemplaren groot is, heel anders dan vroeger. Op honderd miljoen Duitssprekenden mag dat gerust desastreus genoemd worden. Een hele generatie dreigt, met Botho Straub als de spreekwoordelijke uitzondering, in een diep gat weg te vallen.

De onverkochte kunstliteratuurschrijvers moeten zich niet terugtrekken in een beschermd en gesubsidieerd pruilhoekje, maar een beetje spieken bij de succesvolle schrijvers van ontspanningsliteratuur. Als Shakespeare nu leefde, zou hij vast geen enkel medium verachten, meent Wittstock met Raymond Chandler; goedkope en zelfs vulgaire elementen zijn nuttig en menselijk. “Bei der Beschäftigung mit Kunst mub Spab im Spiel sein oder die Kunst ist keine.”

Alleen in Duitsland heerst zoveel wantrouwen jegens literair genoegen, nergens ter wereld vindt de lezer zoveel abstractie en vreugdeloosheid, en volgens Wittstock liggen hieraan dezelfde oorzaken ten grondslag als aan die historische andere, fatale Duitse misstap. Tijdens de Weimarjaren en opnieuw na de oorlog waren luchtige, frivole, ironische, fantastische of komische boeken ongepast. “Belehrung, Ernst, Sinnstiftung und Würde; nicht artistisches Vergnügen”.

De E-Literatur moet opschuiven richting U-Literatur, de ernst naar het amusement. Neue Rundschau maakte hier een bijzonder boeiend nummer over, waarin ook ruimte is voor tegengeluiden. Met niet meer dan één komische noot: de Duitse schrijver wordt door de jonge, ironische Christoph Buchwald vergeleken met de voetballer Lothar Matthäus: technisch zeer bekwaam, maar dodelijk saai.

Neue Rundschau 104/3. S.Fischer Verlag, 176 blz. 15 DM

Bidet is pronkstuk beschaving

“Welkom in het pretpark van de fantasierijke geest!” Het Vlaamse Yang, gelukkig na één opmaakuitspatting weer lezersvriendelijk vormgegeven, presenteert een dossier "Imaginaire werelden' met tien bijdragen. Daarnaast komt Umberto Eco aan het woord, en is er proza en poëzie van Atte Jongstra, Ted Hughes, Francis Ponge en Peter van Lier. Connie Palmen reageert in de rubriek "Correspondances' op een stuk van Patricia de Martelaere over de eventuele noodzaak van een lezer voor een schrijver die aan het werk is. Palmen: “Door het persoonlijke publiekelijk mede te delen aan anonieme anderen, ontkracht de schrijver het wezen van het persoonlijke en deze ontkrachting beschouw ik als een van de diepste drijfveren van het schrijven.”

De Martelaere beschouwt schrijven zonder lezer als mogelijk, maar asociaal en onethisch. Palmen is, in haar niet aflatende onderzoek naar de "wetten van het verlangen', heel wat minder helder: “De wanhoop om een ervaren gebrek aan het vermogen tot intimiteit gaat schuil achter glansrijke, publieke vertoningen en het verlangen van de leugenaar naar echtheid, is de stuwkracht achter de fictie”. (NB: de tweede komma kan maar beter weggedacht worden). De hele "discussie' klinkt zielloos en gedwongen - overbodig.

Schrijnend is het contrast met de tekst "De Hagedis' van Francis Ponge: een en al levendigheid, fantasie, stilistische brille, onnavolgbare literaire dartelheid. Vertaler Piet Meeuse daagt in zijn toelichting anderen uit zijn poging te verbeteren.

"De teloorgang van het bidet' heet het vraaggesprek van Jean Daniel met Umberto Eco, dat gaat over Europa, nationale identiteit, taal en de lelijke kanten van de "planetarisering': “In Parijs is bijvoorbeeld het bidet aan het verdwijnen. Dit pronkstuk van de Franse beschaving, waardoor de Fransen zich in hun badkamer konden onderscheiden van ongeciviliseerde volkeren als Amerikanen, Duitsers en Engelsen... Disneyland is veel minder belangrijk dan het bidet.”

Cyrano de Bergerac, niet de toneelfiguur maar de schrijver (1619-1655), opent het dossier "Imaginaire werelden' met een deel uit zijn ruimteverhaal uit 1662 Histoire comique des états du soleil (Houtekiet 1993). Zoveel fantasie kon in die tijd nog met de brandstapel bestraft worden, zodat deze vroege Science Fiction pas postuum, en toen nog gecensureerd, gepubliceerd kon worden.

Het dossier biedt ook plaats aan artikelen over "virtual reality' en andere fantastiek in de filmkunst, en over het raam in de schilderkunst. Het geheel doet, mede door het optreden van Georges Perec (Een man die slaapt, te verschijnen bij de Arbeiderspers), vaak aan Raster denken. Met de fantastische humor van Donald Barthelme is het irrationele áf: “"Je moet me een pneumatische hamer kopen. Om de tanden van de kinderen schoon te maken.' Ze lag op haar rug. De schoudervullingen klapperden op het terrazo.”

Een aardige bijlage bij dit nummer is het programmaboekje van "Zwarte walsen: Ingeborg Bachmann en de muziek'.

Yang 1993/2. 81 blz., ƒ 17. Postbus 245, B-9000 Gent.