Diefstal als genoegdoening

Op het bankje voor de zaal van de Utrechtse politierechter zit, moederziel alleen, een verzorgd geklede vrouw van ongeveer veertig jaar. Niet bepaald een representant van de drugsscene van Hoog Catharijne.

“Aardenburg!” roept de bode met luide stem. Het klinkt altijd weer onbarmhartig hard en de minder geroutineerde verdachten zullen het dan ook ervaren als een affront. Alle blikken van de wachtenden fixeren zich immers op de naamdrager. Maar bodes moeten hun werk nu eenmaal duidelijk verstaanbaar doen, dat is hun niet kwalijk te nemen.

Mevrouw Aardenburg werpt een schuwe blik door de geopende deur van de rechtszaal. Nu gaat datgene gebeuren wat ze over zichzelf heeft afgeroepen.

Vorig jaar werd zij betrapt op de diefstal van twee broeken in de Bijenkorf. Ze had er vijf willen meenemen, maar drie broeken had ze later teruggehangen.

“Klopt het?” vraagt de rechter, mr. A. Weijsenfeld, als mevrouw Aardenburg in een stoel tegenover hem heeft plaatsgenomen.

“Ja.”

“U was een schikking aangeboden van 600 gulden. De waarde van de gestolen goederen bedroeg 388 gulden.”

Mevrouw Aardenburg knikt. Zij is hier niet gekomen om de feiten te bestrijden, maar om ze te verklaren. En dat wil ze zèlf doen, zonder advocaat. “Ik ben in mijn eentje gekomen omdat ik me schaamde om het tegen een advocaat te zeggen.”

Ze haalt een briefje tevoorschijn dat ze openvouwt. Even citeert ze eruit, dan schakelt ze over op improvisaties. “Ik heb u in maart een brief geschreven”, zegt ze tegen de rechter. “Ik schreef u wat er is voorgevallen. Er was eerst een inbraak in mijn woning. Daarom vind ik het onrechtvaardig dat ik nu zo'n hoge boete krijg voor die broeken. Ik ben me ervan bewust dat ik een overtreding heb begaan, maar mijn bezwaar betreft de hoogte van het bedrag.”

“Ik moet van een uitkering leven”, vervolgt ze. “Ik kan nooit iets kopen wat mooi en prettig is, wat het leven de moeite waard maakt. Ik nam een broek voor mezelf en een voor mijn moeder die ik nooit iets waardevols kan geven. Voor mij is 600 gulden boete erg veel, ook omdat ik al een schuld bij de sociale dienst heb. Ik ben kunstenares, maar daar kan ik niet van leven.” Dan: “Ik hoop dat ik voortaan sterk genoeg ben om de verleiding van al die mooie artikelen te weerstaan.”

Het heeft iets ontwapenends, deze bekentenis, temeer omdat mevrouw Aardenburg er geen pose van zieligheid bij aanneemt. Maar de rechter laat zich niet zo gemakkelijk vermurwen. Vooral het oorzakelijke verband dat mevrouw Aardenburg legt tussen de inbraak bij haar thuis en haar eigen diefstal, moet hem zorgen baren. Diefstal als genoegdoening?

Hij kijkt haar onderzoekend aan en zegt stroef: “Wat wilt u nou precies, mevrouw? Dit lijkt erg op: mijn fiets is gestolen en dus steel ik maar terug.”

“Nou ja, als de fiets een belangrijk vervoermiddel voor je is en je kunt er anders niet komen...”

“Als u zo handelt, komt u hier terecht. De bedrijfsleider van de Bijenkorf zal weinig begrip hebben voor uw verhaal.”

“Die inbraak in mijn woning heeft mij 3.500 gulden gekost”, zegt mevrouw Aardenburg, “en ik was niet verzekerd.”

“Moet de Bijenkorf het dan maar betalen? U heeft zo uw eigen normen. Zó kan het niet. En het is niet de eerste keer, heb ik begrepen.”

“Dit was de tweede keer”, bevestigt mevrouw Aardenburg ootmoedig. “Maar het is nu zo'n hoge boete...”

“Er wordt gekeken naar de waarde van het gestolene.”

“De verleiding om iets heel moois te hebben, kan groot zijn”, zucht mevrouw Aardenburg.

“Wat is uw inkomen?”

“Ongeveer 1.200 gulden. Ik heb er nu een baantje bij, want je kunt niet leven van de kunst. Maar mijn inkomsten worden afgetrokken van mijn uitkering.”

De officier van justitie, mr. B. Steensma, vindt dat mevrouw Aardenburg een oneigenlijke koppeling aanbrengt tussen de inbraak en de diefstal. “Ze plakt die zaken iets te gemakkelijk aan elkaar. De Bijenkorf heeft daar in ieder geval geen boodschap aan.”

Maar de officier begrijpt dat 600 gulden veel is voor iemand met een bescheiden uitkering. Wat dan? Hij piekert even hardop. Onbetaalde arbeid is niet geschikt omdat deze straf alleen in de plaats van onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan komen - en dàt wil hij haar niet opleggen. “Ik wil wel rekening houden met uw financiële situatie”, zegt hij ten slotte, “en ik eis 600 gulden boete waarvan 300 gulden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.”

De rechter knikt goedkeurend. “Ik zat in dezelfde richting te denken. Vanwege uw draagkracht en het feit dat zo het zwaard van Damocles boven uw hoofd blijft hangen. Als u het nog eens doet, kunt u een onvoorwaardelijke gevangenisstraf krijgen. Wat zegt u ervan?”

Mevrouw Aardenburg kijkt een beetje stuurs naar de twee heren tegenover haar. “Het zit me niet helemaal lekker wat de officier zegt. Dat ik die twee zaken niet aan elkaar mag plakken. Ik ben door die inbraak een hoop spullen kwijtgeraakt die ik opnieuw moest aanschaffen. Zoiets treft mij ook.”

De rechter probeert haar niet langer te overtuigen. “Ik ben het eens met de officier”, zegt hij kort. “U heeft wel wat verdiend. Ik leg u een boete op van 300 gulden of zes dagen hechtenis. Plus een voorwaardelijke boete van 300 gulden met een proeftijd van twee jaar.”

“Wat houdt dat in?”

“Er wordt gedurende twee jaar gekeken of u in de fout gaat”, legt de rechter geduldig uit. “Zo ja, dan komt er een nieuwe zaak met een nieuwe straf. Bovendien moet u dan die voorwaardelijke boete van 300 gulden betalen. Maar als u uw handen thuishoudt, hoort u niks.”

Mevrouw Aardenburg heeft het begrepen. Ze staat op en neemt vriendelijk afscheid. “Over zes weken krijgt u een acceptgirokaart”, zegt de rechter nog, “ik zeg het maar zodat u er met uw uitkering alvast rekening mee kunt houden.”

Twee minuten later staat mevrouw Aardenburg buiten naast haar fiets, die gelukkig niet gestolen is.

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.