Devaluatie werpt vruchten af, vertrouwen ontbreekt nog

Drie devaluaties in acht maanden en een waardevermindering van de peseta met in totaal zo'n 22 procent zijn natuurlijk wel ergens goed voor geweest: sinds de vorige zomer is het geleidelijk aan beter gegaan met de Spaanse handelsbalans en in de eerste maanden van dit jaar nam het tekort af met bijna veertig procent. Een flinke verbetering van de exportpositie is de belangrijkste oorzaak. Spanje is weer goedkoop aan het worden. Dat merken niet alleen de exporteurs van industrie- en landbouwprodukten, maar ook de hotelhouders en reisbureaus. Het toerisme naar Spanje kon bij een hoge koers van de peseta onvoldoende waar bieden voor het dure geld van de buitenlandse vakantiegangers. Na de waardevermindering verwacht men dit jaar, crisis of geen crisis, weer een toename van het aantal bezoekers met vier procent. Buitenlanders die overwegen om in Spanje te blijven zullen bovendien merken dat de prijzen van onroerend goed gestabiliseerd zijn (in het geval van nieuwbouwwoningen) of gedaald (als het gaat om de bestaande huizenvoorraad) en dat op de markt voor kantoren en vakantiewoningen nu regelrecht gestunt wordt.

Het slechte nieuws is, dat de onroerend goed-markt in de eerste plaats een sterk afgenomen binnenlandse vraag weerspiegelt. Consumenten tonen zich gevoelig voor de berichten over een onzeker economisch perspectief. De detailhandel klaagt steen en been en is dit jaar nog weer eerder dan anders met de uitverkoop begonnen; de verkoop van auto's daalde begin dit jaar met de helft en trekt slechts heel langzaam iets aan. Het al genoemde tekort op de handelsbalans wordt niet alleen door toenemende uitvoer maar ook door afnemende import verkleind: ondernemers zien massaal af van investeringen. Dat de waarde van de invoer niet nog veel verder is gezakt komt door de hoge energierekeningen die Spanje met zijn gedevalueerde munt dient te voldoen.

Nog tijdens de verkiezingscampagne waagde de regering te voorspellen dat de recessie tegen het eind van het jaar zijn dieptepunt bereikt zou hebben. Daarna zou het beter gaan. Inmiddels hoort men daar niets meer van. Premier González zei vorige week in Kopenhagen dat hij dit jaar een afname van het bruto nationaal produkt verwacht met 0,3 of 0,4 procent en voegde daaraan toe dat deze cijfers misschien nog wel in negatieve zin moesten worden bijgesteld. De Europese Commissie publiceerde voorafgaand aan de top een prognose waarin Spanje een half procent "negatieve groei' werd toegedicht en waarin werd uitgegaan van een licht herstel ( + 1,25 procent) in 1994. Die toename van de bedrijvigheid zou echter niet leiden tot een herstel van werkgelegenheid. Dit verschijnsel doet zich ook elders in de EG voor, maar in Spanje klemt het extra hard omdat het land inmiddels koploper is als het gaat om werkloosheidscijfers. Het percentage bedraagt nu 21,75 bij een EG-gemiddelde van elf. Voor volgend jaar wordt een stijging tot 23 procent verwacht.

Premier González, die begin deze maand tot veler verrassing een mandaat ontving om voor de vierde keer een kabinet te vormen, lijkt niet van zins om zijn economisch beleid ingrijpend te wijzigen. Weliswaar heeft hij zijn versleten minister van economische zaken Carlos Solchaga inmiddels van een andere functie voorzien, maar daaraan moet niet meer dan symbolische betekenis worden gehecht. Het vergemakkelijkt hoogstens het lichtjes oprekken van de tot dusver nagestreefde criteria voor intrede in de economische en monetaire unie en het daarbij tot dusver gehanteerde tijdschema. Ook elders in Europa geeft men echter op dit moment bepaald niet de hoogste prioriteit aan het realiseren van deze afspraken in het verdrag van Maastricht over o.a. budgettekort en staatsschuld.

Dat het huidige beleid in grote lijnen gehandhaafd zal blijven blijkt ook uit de nog altijd relatief hoge rentestand (op dit moment rond de 11,25 procent), ook al hebben enkele banken in een poging met name de hypotheekmarkt een stimulans te geven de afgelopen weken leningen aangeboden onder het tarief van de centrale bank. Daarnaast heeft Gónzalez aangekondigd dat de begroting voor 1994 bijzonder zuinig zal zijn en dat de ambtenarensalarissen daaronder zeker flink zullen lijden. De crisis en het feit dat González voorlopig niet verdwijnt heeft de twee grote vakcentrales, UGT en Comisiones Obreras, rijp gemaakt voor het grote sociaal akkoord betreffende lonen, prijzen en arbeidsvoorwaarden dat minister Solchaga twee jaar lang heeft nagestreefd. De bonden hebben zich nu bereid verklaard zonder voorwaarden vooraf het overleg met de regering in te gaan. In een aantal sectoren hebben zij echter voor het lopende jaar al loonsverhogingen van vijf en zes procent in de wacht gesleept.

Loonmatiging en "liberalisering' of "flexibilisering' van de arbeidsmarkt zijn echter volgens de nieuwe en de oude Spaanse regering de belangrijkste middelen ter bevordering van economische groei en werkgelegenheid. Wetsvoorstellen die het makkelijker moeten maken om personeel te ontslaan is al jaren in voorbereiding, maar werden tot nu toe niet ingediend en aanvaard uit angst voor grote sociale onrust. Bij een opleving zullen investeerders sneller mensen in dienst durven nemen, als deze flexibisering zijn beslag heeft gekregen. Maar dan moet er wel eerst vertrouwen komen in de toekomst. En daaraan ontbreekt het op dit moment nog.

    • H.M. van den Brink