De geschiedenisles is indoctrinatie

Vijf weken al lezen we op deze pagina ontboezemingen over historische episodes, waaraan de auteurs dierbare gevoelens verbinden. Een lofwaardig initiatief van de redactie om het debat over het onderwijsbeleid "een menselijke toon' te geven. Want als er één schoolvak is dat het predikaat "menselijk' verdient, dan is het wel geschiedenis (en dat in meer dan één opzicht).

Wat blijkt uit deze serie? Dat het heldenverhaal het goed doet op school, en dan vooral het vaderlandse heldenverhaal. Nog veertig, vijftig jaar later denkt menig schrijver met dankbaarheid terug aan die "andere wereld' die voor hem openging, toen hij dat ene avontuur uit de geschiedenis te horen of te lezen kreeg.

Het is de vraag of zijn terugblik even nostalgisch zou zijn geweest wanneer die gebeurtenis hem ongekuist was voorgeschoteld, namelijk niet ontdaan van al de ingrediënten die van feiten pas historische feiten maken: verraad, roof, moord, beestachtige wreedheden, etnische zuiveringen. Ook de burgeroorlog in Bosnië zal over honderd jaar een spannend en herosch, want geretoucheerd, epos opleveren. Net zoals de ontelbaar vele "Bosnië's', die sinds Kan en Abel met zijn allen de geschiedenis vormen, dat nu doen.

Had de redactie ook mij om een mooie herinnering gevraagd, dan zou ik de figuur van Jan Pieterszoon Coen hebben genoemd. Hij stichtte Batavia, hees de Nederlandse driekleur op "wilde eilanden', hield moedig stand tegen het plaatselijke verzet en stuurde schepen vol kostelijke specerijen naar het dankbare vaderland. Dat waren fiere, bonte beelden voor een kinderlijk gemoed. Het zou een half mensenleven duren voordat mij in een museum op het notemuskaat-eiland Banda de schellen van de ogen vielen. Omdat ze weigerden op Coen's "handelsvoorwaarden' in te gaan, werden alle vijftienduizend Bandanezen door Japanse beulen, die Coen daartoe had ingehuurd, levend in stukken gehakt en opgespiest in de brandende zon.

"Geschiedenis', constateerde de Nobelprijswinnaar Joseph Brodsky in 1991 in Leiden tijdens zijn Huizinga-lezing over de muze Clio, “geschiedenis is moord”. Men zou daaraan kunnen toevoegen dat geschiedenisles indoctrinatie is. Hadden wij op school geen geschiedvervalsing maar de naakte waarheid te horen gekregen, dan zaten we nu, net als alle Bosnische kinderen die de geschiedenis elke dag met eigen ogen moeten aanschouwen, met een psychisch trauma inplaats van met dierbare herinneringen.

Het is maar goed dat onze beschaving, zoals elke andere, de schijn probeert op te houden, anders zou ze niet kunnen bestaan. Iedereen die nu leeft is immers een overlevende en op afstand mede-profiteur van de geschiedenis. Je kunt er donder op zeggen dat de erudiete Nederlanders die de afgelopen weken op deze pagina zo vrolijk of zelfs geroerd hun voorliefde voor deze of gene historische periode beschreven, 's avonds, net als wij allemaal, met open mond van ontzetting naar de bloedbaden op de Balkan kijken.

Geschiedenis voor kinderen heeft met de werkelijkheid weinig te maken, maar bestaat uit opgesierde overleveringen, sprookjes van moeder de gans. Dat kan ook niet anders. Voor een breed overzicht, een kader waarbinnen die verhalen historische betekenis krijgen, waarin ontwikkelingen zichtbaar worden, zijn kinderen te klein. Wie dat bestrijdt, wie als volwassene denkt dat hij zo'n overzicht van school heeft meegekregen, bezondigt zich aan hineininterpretieren. Voor overzicht is abstractie nodig, ervaring en relativeringsvermogen en dat zijn prerogatieven van de oudere.

In de psychologie hanteert men het begrip van de gevoelige periode, dat is een fase in de ontwikkeling waarin het kind in hoge mate ontvankelijk is voor speciale prikkels en de met die prikkels verbonden activiteit. Talen spreken bijvoorbeeld leert het jonge kind oneindig veel gemakkelijker dan een volwassene, zelfs in de puberteit begint die gevoeligheid al te tanen. Niet voor niets bestaat het geschiedenisonderwijs uit concrete verhalen, toegesneden op zijn bevattingsvermogen. Het blijven evenwel ongeordende incidenten totdat voor hem, een stuk verder op zijn levensweg, de gevoelige periode voor het zien van grote verbanden aanbreekt. Brodsky begon indertijd zijn opmerkelijke rede met de vaststelling: “Hoe dichter men zijn toekomst, dat wil zeggen het graf, nadert, hoe scherper men de geschiedenis ziet”. Ieder van ons zal dat kunnen beamen.

Wil dat nu zeggen dat ik tegen geschiedenis als onderdeel van het lesprogramma ben? Nee, in zover ik de leerlingen in een redelijk saai onderwijssysteem een uurtje vertelplezier van harte gun. Wel, wanneer dat wordt voorgesteld als het fundament voor een later geschiedbeeld. Want, in tegenstelling tot wij vroeger, krijgen de kinderen van nu door televisie, films, stripverhalen en kindvriendelijke musea al meer dan genoeg elementen aangereikt die later als fundament voor zo'n geschiedbeeld kunnen dienen.

Wat het zich verplaatsen in een "andere wereld' betreft - inderdaad een wezenskenmerk van ons humanistisch-liberale cultuurgoed - dat kan de jeugd evengoed worden bijgebracht door hun over de Tweede en Derde Wereld te vertellen. Dat sluit beter aan op hun belevingswereld (waarvan de tv-beelden een integrerend bestanddeel vormen) dan de verstofte personencultus rondom figuren als Willem de Zwijger, waarmee sommigen op deze pagina wat schijnen te hebben. Waarom niet als voorbeeld Nelson Mandela nemen wanneer je 't wilt hebben over “de tirannie verdrijven die mij 't hart doorwondt”, of, voor de lezers onder de jeugd, Brodsky zelf met zijn dramatisch verleden?

Gelukkig gebeurt dat ook al op de scholen. Er leven op dit ogenblik meer mensen op de wereld dan in alle vroegere tijden bij elkaar. Misschien daarom is de geschiedenis bezig van verticaal naar horizontaal te draaien.

    • An Salomonson