Zelfverdediging of represaille, dat is de vraag

Zelfverdediging of represaille? Dat is juridisch gezien de grote vraag die de Amerikaanse actie tegen Bagdad oproept. Beide varianten liggen moeilijk. Voor de rechtvaardiging van zelfverdediging vergt het Handvest van de Verenigde Naties een gewapende aanval (armed attack) en het Internationaal Gerechtshof heeft in het geval van Nicaragua (1986) te kennen gegeven dat dit gewapende actie van een zekere omvang impliceert. Het is de vraag of een moordaanslag op een (voormalig) vreemd staatshoofd daaraan voldoet, zegt de Nijmeegse hoogleraar volkenrecht mr.K.C. Wellens desgevraagd.

Onrechtmatig is een dergelijke moordaanslag, of het beramen daarvan, ongetwijfeld en als zodanig kan zij een tegenmaatregel (represaille) rechtvaardigen. Represailles zijn maatregelen die op zichzelf niet geoorloofd zijn maar waarvan de onrechtmatigheid wordt weggenomen doordat zij zijn gericht tegen de eerder gepleegde onrechtmatige daad van de ander. Hierin wordt met zoveel woorden voorzien in de ontwerp-artikelen over staatsaansprakelijkheid die zijn opgesteld door de VN-Commissie voor internationaal recht.

Er zijn echter wel een paar voorwaarden. Zo dient de dader de kans te krijgen alsnog de schade te herstellen cq waarborgen te geven dat herhaling wordt voorkomen. “Represailles zijn geen strafmaatregel”, schrijft minister van buitenlandse zaken mr. P.H. Kooijmans als hoogleraar volkenrecht in de zojuist verschenen nieuwe druk van zijn leerboek Internationaal Publiekrecht in Vogelvlucht. Dit impliceert een formele ingebrekestelling. Behalve deze wellicht wat formalistische eis is er de hoofdregel dat een zekere evenredigheid dient te bestaan tussen de tegenmaatregel en de schade die teweeg wordt gebracht door de onrechtmatige daad van de ander. Kooijmans heeft eens dit voorbeeld gegeven: “Het opbrengen van het schip van de een mag niet worden beantwoord door het tot zinken brengen van een schip van de ander”. De tegenmaatregel hoeft echter niet “in kind” te zijn, dat wil zeggen precies hetzelfde karakter te dragen als de onrechtmatige handeling waartegen zij is gesteld.

In het geval van gewelddaden is er echter een complicatie. Geweld mag alleen worden gebruikt wanneer de ander daarmee is begonnen. Dan spreekt men ook niet meer van een repressaille maar van zelfverdediging. En daarmee is men weer uit bij het Handvest van de Verenigde Naties en het daarin vervatte strikte geweldsverbod. Voorbeelden als de Israelische reddingsactie op het vliegveld van Entebbe laten overigens zien dat de opvattingen op dit punt speling vertonen.

In het geval van Irak is er de speciale complicatie dat tegen dit land reeds actie is ondernomen met machtiging van de Veiligheidsraad. Valt de aanslag op Bush om het zo maar eens te zeggen eigenlijk niet in het kader van de afwikkeling van de Golfoorlog? Amerika heeft zich daar voorzover bekend tot dusver niet op beroepen en de raketaanval op het hoofdkwartier van de Iraakse geheime dienst gepresenteerd als een kwestie van eigen noodweer. Daarvoor is echter weer vereist dat aanval en tegenaanval direct op elkaar volgen. De bewijsgaring voor de betrokkenheid van Bagdad kan echter een reden voor vertraging hebben opgeleverd.

De kwaliteit van dat bewijs is overigens een punt apart, waarschuwt prof. Wellens. Hij wijst op de vraagtekens over de betrokkenheid van Libië bij de aanslag in een Berlijnse discotheek die aanleiding was voor president Reagan een luchtaanval te bevelen op een reeks doelen in Libië.