Vader des vaderlands is toetskonijn geworden

“Heer God wees mijn ziel en dit arme volk genadig.” Dit waren de laatste woorden van de vader der vaderlands, Willem van Oranje, die op 10 juli 1584 werd doodgeschoten in Delft. Of waren dit niet de laatste woorden die hij sprak? Heeft de prins, dodelijk gewond door de kogels uit het pistool van zijn moordenaar Balthasar Gerards, eigenlijk nog wat gezegd? Of ging Willem de Zwijger dood zonder dat er een woord over zijn lippen kwam?

Het lijken spannende vragen voor een (amateur-)historicus, maar ze zijn niet bedoeld voor iemand met een historische opleiding. Het zijn vragen, althans zo ongeveer, uit een proeftoets die het CITO aan de Nederlandse geschiedenisleraren heeft doen toekomen als een voorbeeld hoe er straks getoetst zou kunnen worden in de basisvorming geschiedenis en staatsinrichting.

De basisvorming geschiedenis en staatsinrichting heeft weinig vreugde gewekt onder degenen die het vak geschiedenis hoog schatten, Het vak wordt voortaan sterk gericht op het trainen van vaardigheden en op de geschiedenis van de laatste twee eeuwen. Oudheid, Middeleeuwen en de tijd tot 1800 zijn minimaal bedeeld. Het gaat bij de basisvorming niet om kennisverwerving of cultuuroverdracht, maar om bestaansverheldering. Daarmee is een merkwaardige scheiding aangebracht, want kennis van het verleden en cultuuroverdracht zouden juist uitgangspunten moeten zijn bij het streven naar bestaansverheldering.

De CITO-toets onderstreept de absurditeit van de huidige invulling van het vak geschiedenis.

Wat is namelijk het geval? In de kerndoelen wordt Willem van Oranje niet genoemd. Weliswaar moet er het een en ander over de Opstand behandeld worden, maar Willem van Oranje is daar expliciet niet bij.

Een toets over de vader des vaderlands kan dus niet uitgaan van enige kennis over de man bij de leerlingen. Waarschijnlijk heeft hun docent ze wat over Willem verteld, maar je kunt het niet zeker weten. En dus wordt de toets begeleid door een aantal gegevens over de prins, anders is het niet eerlijk.

Daarna volgen vijf bronnen zodat leerlingen kunnen demonstreren dat ze begrijpen hoe belangrijk het is om te weten dat je bronnen niet altijd kunt vertrouwen. Een vaardighedentoets over de laatste woorden van Willem van Oranje is kennelijk belangrijker dan enige kennis over de man. De bronnen lijken zeer moeilijk voor leerlingen uit het voorbereidend beroepsonderwijs (VBO) die juist minder taalbegaafd zijn. Het is op zich al verwonderlijk dat taalzwakke leerlingen zich moeten bewijzen via bronnen, die per definitie een lastig taalgebruik hebben. Bronnen zijn immers niet geschreven voor leerlingen.

Maar dat is nog niet eens het ergste. Zonneklaar blijkt uit het toetsvoorbeeld hoe onzinnig de situatie bij het vak geschiedenis en staatsinrichting is. Wie zijn oor te luisteren legt, weet dat eigenlijk niemand tevreden is over de huidige kerndoelen. De leraren zijn er wrevelig over, de wetenschappelijke wereld beziet de basisvorming met afgrijzen en de "buitenwereld' vraagt zich verbaasd af wat er met het vak aan de hand is. Sterker nog, er zijn al vooraanstaande Nederlandse historici die zeggen dat het vak maar beter afgeschaft kan worden.

Het wordt tijd dat er wat gebeurt. Het wordt tijd dat iemand zegt: de basisvorming is voor het vak geschiedenis veel te ver doorgeslagen naar het kunnen en naar het heden. Het wordt tijd dat iemand vaststelt dat er helemaal geen kloof hoeft te bestaan tussen kennis van het verleden en de toepassing daarvan door vaardigheden. Er kan heel goed een nieuwe inhoud worden gegeven aan het vak die zowel historici als didactici bevredigt.

De invulling van de basisvorming geschiedenis en staatsinrichting is een fout die zo snel mogelijk moet worden gecorrigeerd. Anders blijft er op den duur van dit essentiële vak in de onderbouw wellicht niets over. Wie deze dwaling gaat herstellen kan misschien rekenen op een (bescheiden) plaats in de geschiedenisboeken. In ieder geval zal hij of zij de harten veroveren van de velen die vinden dat geschiedenis en staatsinrichting behoort tot de geestelijke bagage van iedere leerling.

Tot er betere tijden aanbreken hangt de kwaliteit van het geschiedenisonderwijs in Nederland af van de leraren. Men kan zich slechtere bondgenoten voorstellen. Zij zullen het vak inhoudelijk overeind moeten houden in de komende jaren.