Oorlog om een volwaardige plaats

Buiten sissen de autobanden op het natte wegdek van de Bijlmerdreef. Binnen, in het Surinaamse jongerencentrum Godo hangt vandaag een religieuze stilte.

Alle neuzen zijn naar de hoek gekeerd waar Silvester Stallone en Ruud Gullit bevroren boven de flipperkast hangen. Op het beeldscherm speelt een videoband. Bibberig opgenomen plaatjes van palmbomen, bloemen, houten huisjes. Een erf met kippen en weer palmen. Sprookjes van een ver land. Met glimmende ogen kijken de jongeren in het betonnen onderaardse van de Bijlmer naar de andere kant van hun bestaan. Kinderen die spartelen in een rivier waar aan beide oevers het oerwoud woekert. Een kleurige markt met tropische vruchten. Breedgrijnzend verschijnt de maker van het filmpje in beeld, een watermeloen tegen zijn halfnaakte lijf geklemd.

“Suriname is echt fantastisch”, verzucht een jongen aan de bar. Gedachtenloos prakt hij een blokje hasj. “Je hebt daar geen lange gezichten, geen diploma's, en de hele dag lopen in de zon.” Diep haalt hij de rook naar binnen. “Je hebt zo werk in Suriname. Als je wilt aanpakken schiet het vanzelf uit de grond.” Is hij er wel eens geweest? “Nee”, zegt met een spijtig gezicht. “Nog nooit.”

Het zit niet in de krul in je haren of de kleur van je buik. Toch heeft het iets te maken met de beelden en de sprookjes van land een oceaan verderop. “Die jongens moeten hun eigen cultuur terug kunnen vinden”, zegt Guno Nimmermeer. “Maar wel in een nieuwe maatschappij.” Hij hangt tegen het aanrecht in de keuken waar de kookploeg van Godo - als elke dag - een Surinaamse maaltijd bereidt. “We willen dat die aanpassing rustig verloopt. Tegen een Nederlander zeg je toch ook niet: vanaf morgen ben je Chinees?” Met vallen en opstaan runt hij sinds bijna tien jaar dit centrum dat tientallen Surinaamse, veelal verslaafde, jongeren van de straat afhoudt. Kickboksen, een oefenruimte voor muziekgroepen, een kappersgroep die blockhead- en Bobby Brown-kapsels knipt voor niet meer dan een tientje per coupe. “Ook dat is cultuur”, zegt Guno.

Vanavond heeft hij bezoek van een collega uit het Antilliaanse centrum Bon Bini. Wantrouwig hadden ze om elkaar heen gesnuffeld, de Surinamer en de Antilliaan. Maar nu hebben ze elkaar gevonden op dat "schuimkussen' van de bureaucratie waar ze in hun werk op stuiten. De rapporten, de regeltjes, de grote ideeën die steeds weer ergens anders worden bedacht: van zes tot zeven ping pong voor tieners, van zeven tot acht aerobic voor huisvrouwen. “Als je die groepen jongeren van ons wilt binnenhouden dan moet je kijken naar wat ze leuk vinden. Je kunt ze er niet uitgooien omdat iemand anders bepaalt dat er dan geaerobict moet worden.”

Verhit vertelt hij over de stijd die hij steeds weer moet voeren met de welzijnskoepel, de deelraad, het arbeidsburau. Hoe hij een groep jongens een las-cursus in wist te praten. Zeven van de negen haalden hun diploma. En hoe de nieuwe cursus dan weer afketst op organisatorische haarkloverij.

"Multi-culturele samenleving' luidt het ideaal. Dat betekent dat de klanken niet altijd zijn glad te strijken in nota's over "cross-culturele communicatie'; bewegingen niet altijd te vangen in "resultaatverantwoordelijke output'. “Soms schreeuwen we te hard, soms zijn onze gebaren te groot”, zegt Guno.

Binnenkort zal 50 procent van de Amsterdamse scholieren bestaan uit jongeren met verre sprookjes. “Daar zit ik met mijn verdraaide tong”, zo laat de Turks-Duitse schrijfster Emine Ozdamar een Turkse emigrant verzuchten in een van haar eigen sprookjes. Hoe zullen in deze stad de tongen zich roeren tot een nieuwe taal? Hoe hard moeten de Guno's roepen tot hun talen ook op het stadhuis, in de deelraden, de welzijnskoepels worden gesproken?

“Ik maak me niet druk over discriminatie”, had Guno tegen zijn Antilliaanse collega gezegd. “Ik wil ook niet dat mijn moeder een junk trouwt. Waar ik me druk over maak is het uitsluiten van hele groepen mensen. We zijn bezig een oorlog te voeren. Wat wordt onze beloning? Wordt het een hokje? Of een volwaardige plaats in deze stad.”