Niet als politieman

DE AMERIKAANSE RAID zaterdagnacht op Bagdad moet als uiting van incidentele Amerikaanse vastberadenheid een succes worden genoemd.

Technologisch was het rakettenbombardement, ondanks de afzwaaiers, een hoogstandje en Amerikaanse deskundigen maken er geen geheim van dat, zolang het monopolie op deze wapens wordt gehandhaafd, er vaker gebruik van zal worden gemaakt. De operatie kan dan ook worden aangeduid als een daad van de enig overgebleven supermogendheid. De VS kunnen zich een dergelijke actie internationaal veroorloven met als keerzijde van de medaille dat een Amerikaanse president er dan ook om binnenlands politieke redenen toe kan worden gedwongen.

De directe aanleiding voor de actie, de volgens het gezamenlijke onderzoek van FBI en CIA bewezen Iraakse verantwoordelijkheid voor de voorgenomen aanslag op oud-president Bush tijdens diens bezoek aan Koeweit in april, rechtvaardigt in de Amerikaanse voorstelling van zaken een beroep op artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties. Hoewel de wraakoefening-in-voorbereiding tegen de leider van Desert Storm op grond van overwegingen van machtspolitiek en binnenlandse geloofwaardigheid een tegenzet praktisch onvermijdelijk maakte, is het Handvest in dit geval toch niet veel meer dan de functie van schaamlap toegekend. Hoe afschuwelijk de gevolgen ook zouden zijn geweest indien de aanslag volgens plan zou zijn uitgevoerd, Bush was op dat moment niet meer dan een gewoon staatsburger in wiens persoon de existentiële belangen van de VS niet meer waren vertegenwoordigd.

VOOR ZOVER DE aanval op de centrale van de Iraakse inlichtingendienst wijdere bedoelingen heeft gehad dan de tenuitvoerlegging van een vendetta op hoog niveau, kan aan de resultaten worden getwijfeld. Wat in ieder geval niemand ontgaat is de selectiviteit van de onderneming: lang niet iedere schending van het volkenrecht en de rechten van de mens wordt bestraft op een wijze zoals opnieuw het regime in Bagdad te beurt is gevallen, zelfs niet als zij de fase van voorbereiding allang verlaten heeft. De voorbeeldigheid van de operatie zal beperkt blijken. En daarmee het belang ervan voor wat als een beleid gericht op het tegengaan van agressie en terrorisme in de wereld in het algemeen zou kunnen worden beschouwd.

In de marge van de raid op Bagdad is van de kant van de Amerikaanse regering weer eens bevestigd dat de VS zich absoluut niet opwerpen als de politieman in de wereld. Dat klinkt als een begrijpelijke en zelfs sympathieke zelfbeperking. Maar tegen de achtergrond van de gebeurtenissen van het afgelopen weekeinde krijgt een dergelijke uitspraak ook de bijklank van willekeur.

De Veiligheidsraad was ditmaal niet, zoals de afgelopen jaren gebruikelijk in voorkomende situaties, om een oordeel vooraf gevraagd. De raad mocht daarentegen in een op Amerikaans verzoek bijeengeroepen spoedzitting achteraf de Amerikaanse argumenten aanhoren. Dat er vervolgens een zekere, overigens niet formeel uitgesproken, positieve consensus bleek te bestaan, zal voor de regering-Clinton betekenis hebben gehad. Maar die consensus kon toch niet verhullen dat Amerika bezig is het pad van de gezamenlijkheid te verlaten. Niet als politieman, maar als wat dan wel is Amerika tegen Bagdad opgetreden?