Nederlandse honkballers komen één homerun te kort

ROTTERDAM, 28 JUNI. De Nederlandse honkbalploeg is met wisselend succes begonnen aan het vijfde World Port Tournament, dat tot en met zondag in Rotterdam wordt gehouden. Zaterdagavond won Oranje met 3-0 in 4,5 innings - door de regen - van Red Machine uit Aruba. Gisteren werd met 2-1 verloren van het Amerikaanse team dat onder de naam Major League Baseball International aan het eerste lustrum-toernooi deelneemt.

Vooral naar de wedstrijd van zondag is met veel belangstelling gekeken. Voor het eerst in de honkbalgeschiedenis hebben de proforganisaties in Amerika erin toegestemd dat een ploeg van jonge spelers uit de Minor Leagues, de lagere profklassen, tijdens het seizoen naar Europa afreisde. Niet alleen een unicum, maar voor het team van Oranje-coach Jan-Dick Leurs een kans om te bewijzen dat het Nederlandse honkbal ruimschoots kan acteren op dit niveau. “Ik heb altijd gezegd”, aldus Leurs, “dat we tegen dit soort ploegen makkelijk kunnen meedraaien. En heb ik geen gelijk gekregen? Als die Ryan Turner, die die homerun sloeg waardoor wij met 2-0 achter kwamen, gewoon de drie-slag had gekregen die hij verdiende en niet geholpen was door scheidsrechter Barkhuis, hadden we gewonnen. We deden in niets onder voor die gasten”.

De coach van de Amerikaanse profploeg Sam Suplizio is het eens met zijn collega Leurs. “De Nederlandse ploeg draaide prima en vooral werper Peter Callenbach is een kei. En laat ik eerlijk zijn. Mijn ploeg die hier in Rotterdam is heeft nooit eerder met elkaar gespeeld. De spelers maakten pas kennis op het vliegveld. Het Minor League-honkbal heeft sterk aan belangrijkheid ingeboet. Had je zo'n 20 jaar geleden nog bijna 200 Minor League-teams nu zijn dat er nog maar een handjevol”.

Fred Ferreyra, hoofdscout van de Montreal Expos, onderstreept nog eens wat Suplizio heeft gezegd. “De Minor Leagues zijn al lang geen echte kweekvijver meer voor de Big Leagues. Die vijver is het amateur-honkbal overal ter wereld, dat steeds sterker is geworden. Daarom ben ik met een aantal collega's van andere organisaties naar Nederland gekomen. We gaan tegenwoordig scholen en universiteiten af. Na een paar jaar ruiken aan het lagere profcircuit zijn de échte talenten meteen rijp voor een miljoenencontract”.

Het Nederlandse honkbal lijdt al een tijdje onder die gewijzigde Amerikaanse koers. Tonny Cohen, Michael Crouwel, Clive Mendes, Martin Ronnenbergh en Caspar van Rijnbach plus een aantal Antilliaanse spelers uit de Nederlandse competitie hebben al eens eerder een contract in Amerika getekend. Ze hebben het allemaal niet gehaald en zijn meteen ook verloren voor de nationale ploeg. Ex-profs mogen niet voor een amateurteam uitkomen. Robert Eenhoorn, Rikkert Faneyte, Frans Groot en Raymond Hofer zijn het op dit moment ook aan het proberen in het profcircuit. Als uitgelegd moet worden waar A-, AA- en AAA-niveau voor staat in het Minor League-honkbal wordt steevast gezegd dat dit respectievelijk 3, 2 of 1 klasse verwijderd is van de absolute top. De waarheid is echter dat dit voor de meeste spelers soms wel 1000 klassen van dat honkbal-walhalla verwijderd is.

Slechts één in Nederland opgeleide honkballer is het in 85 jaar Nederlandse honkbalgeschiedenis gelukt om de top te halen. Op een zwoele vrijdagavond in augustus '79 debuteerde Win Remmerswaal voor de Boston Red Sox op het veld van de Milwaukee Brewers. Hij imponeerde aanvankelijk maar bleef toch slechts 55 innings aan de top en is daarna via het Italiaanse honkbal uit beeld verdwenen.

Zelfs de honkbalbond begrijpt niets van deze unieke prestatie. Gisteren voor de wedstrijd werd de 42-jarige veteraan Bert Blyleven tot erelid van de bond benoemd. Hij is als ex-topper, die 23 jaar lang furore heeft gemaakt in het Amerikaanse honkbal, maar vooral door zijn Nederlandse komaf, als werper aan de jonge profploeg toegevoegd. Een prima stunt, maar Blyleven kent het Nederlandse honkbal niet eens. Remmerswaal wél; die kreeg ooit eens een eenvoudige medaille voor zijn prestatie van de KNBSB.