Muziek van De Leeuw geeft Antigone ethiek

Tijdens het dramatische hoogtepunt van Ton de Leeuws opera Antigone is de muziek stil. In het geheim bewijst Antigone de laatste eer aan haar overleden broer. Waar vrijwel iedere Europese componist haar diepste zieleroerselen in meeslepende klanken zou hebben getoonzet, legt Ton de Leeuw de muziek het zwijgen op.

De Leeuw heeft voor Antigone geen muziek gecomponeerd die de gevoelens van individuele personages verklankt. Hij is wars van het op een negentiende eeuwse leest geschoeide expressionisme dat opera's kenmerkt. Hij zoekt zijn heil bij niet-westerse muziek- en theatervormen, of dat nu een Indiase raga, Japans Noh-theater, of een Indonesische gamelan is.

Aan de klank van zijn muziek is dat niet direct te horen. Er is geen sprake van een oosters koloriet in het instrumentarium of van muzikale frases die in westerse oren exotisch klinken. De Leeuw gebruikt naast orkestinstrumenten zelfs het hedendaagse geluid van een synthesizer en een saxofoon. De strijkers hebben een ondergeschikte rol, alsof de componist zich bij voorbaat wilde wapenen tegen een emotie-zwangere vioolklank. Alleen twee celli en een contrabas versterken de donkere orkestrale kleur.

Voor Ton de Leeuw is de oosterse invloed een kwestie van mentaliteit, van een houding tegenover de muziek. Europese muziek vindt hij "te expressief, te expansief' en componisten "op het agressieve af individualistisch'. De Leeuw wil niet zijn persoonlijkheid in muziek tot uitdrukking brengen, maar iets dat daarboven uitstijgt, waardoor de esthetiek een ethische lading krijgt.

Vanuit die geobjectiveerde visie op muziek is De Leeuws keuze te verklaren om juist Antigone tot een opera te bewerken. Deze Griekse tragedie leent zich voor objectivering. De personages vertegenwoordigen voor de componist meer dan alleen zichzelf. Dat geeft hij in zijn muziek vorm door, op Antigone na, de rollen niet door individuen te laten zingen maar door verschillende koren met een eigen karakter. De dictator Creon is een mannenkoor, ruw en aggressief, met af en toe een bijna machinale kracht die tot uitdrukking komt in strakke samenklanken. Daar tegenover is zijn zoon Haemon, een geleidelijk groeiend gemengd koor, milder van toon, met meer gevarieerde, beweeglijke lijnen.

Door van Antigone een solo-partij te maken, voortreffelijk gezongen door de Franse mezzosopraan Martine Mahé, maakt De Leeuw duidelijk dat het verzet, de weerstand uit het individu komt. De componist wijst in het algemeen weliswaar spanning en "onevenwicht' af, als voortkomend uit Europese expressiedrift, maar toch ontkomt hij er (gelukkig) niet aan om de schitterende melodische lijnen van Antigone een grote dramatische spanning te geven; al weet hij zelfs die nog enigszins te ritualiseren, met als hoogtepunt een eenzame, onbegeleide solo tegen het einde.

Het orkest geeft kleur aan de muzikale scènes. Met een beperkt instrumentarium ondersteunt De Leeuw de dramatische handeling. Treurmars-achtige klanken begeleiden het gesjor met doodskisten, een elegische saxofoon leidt Antigone's woorden in, een verstild duet van klarinetten als Antigone haar broer de laatste eer bewijst, vallende tromboneklanken bij Haemons rusteloze woorden, een zware trommel en geruis van bekkens bij Creons optreden, verlenen de zangstemmen een grote rijkdom.

Ton de Leeuw hoopt dat musici niet alleen zijn muziek, maar ook de mentaliteit ervan begrijpen, wat op Europese podia, die volgens de componist worden geregeerd door egotrippende uitvoerders, moeilijk is te realiseren. De uitvoering met het Radio Kamerorkest (en ad hoc koren) onder leiding van Reinbert de Leeuw benadert echter het ideaal van componist. Gesteund door de naar omstandigheden uitstekende akoestiek van de gashouder, geeft Reinbert de Leeuw als geen ander, bescheiden, zonder opzettelijke virtuositeit en met grote precisie, uitdrukking aan Ton de Leeuws meesterlijke partituur.

    • Paul Luttikhuis